Koppelingen:
Vorig artikel: AANGELEGEN Volgend artikel: AANGEMERKT
Etymologie: EWN

AANGELEGENHEID

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: aangelegenheid

znw. vr., mv. -heden, doch alleen in de bet. 2). Van Aangelegen. Hd. angelegenheit.
1.  Abstract, zonder mv. De hoedanigheid van aangelegen, op zich zelve beschouwd; dus Belang, gewicht, waarde.
Een zaak van 't uiterste gewigt en aangelegenheid,   V. EFFEN, Spect. 1, 91 [1731].
Ik moet … om zaken van veel aangelegenheid van huis,   WOLFF en DEKEN, Burg. 415 [1782].
+2.  Concreet, ook in het mv. Eene zaak die belangrijk, gewichtig is, die iemand van nabij aangaat. Het mv. aangelegenheden staat nagenoeg met zaken of belangen gelijk.
Aangelegenheden van kerk en staat.
  poëem WNT
Ik bemoei mij ongaarne met eens anders aangelegenheden.
 
Berispt, omdat hij de aangelegenheid van een ander zich te zeer aantrok,   V. D. PALM, Red. 1, 112 .
Wanneer zij in grooter en gewigtiger aangelegenheden werkzaam was,   1, 103 .
Het gewoel en de verwarring des anderen daags, die ieders hart vervult met zijne eigen aangelegenheden,   1, 143 .
Die gelukkige gevatheid om zich, in alle voorkomende aangelegenheden, er door te redden,   Sal. 3, 334 .
Samenst. Handelsaangelegenheid, krijgsaangelegenheid, enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.