Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANRECHTBANK Volgend artikel: AANRECHTER
GTB Woordenboeken: MNW

AANRECHTEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: aanrechten

bedr. zw. ww., met hebben: rechtte aan, heeft aangerecht. Hetzelfde woord als Aanrichten, doch met de gewone wisseling van e en i. Uit Rechten (richten), d. i. in orde brengen (hd. zurecht machen), en het bijw. Aan in den zin van bereiking van den vereischten toestand (34, f). Hd. anrichten. Voorheen werden aanrechten en aanrichten onverschillig door elkander in dezelfde beteekenissen gebezigd; het gebruik heeft echter allengs het verschil in vorm ten nutte aangewend, en het onderscheid zóó vastgesteld, dat aanrichten een geheel overdrachtelijken zin heeft; aanrechten daarentegen, met bepaalde toepassing op spijzen, in meer eigenlijken zin wordt genomen; waartoe de bijgedachte aan gerecht (spijs) van zelf aanleiding gaf. In de spreektaal wordt, wel is waar, dikwijls een maaltijd aanrichten gezegd, doch het mag inderdaad raadzaam heeten, de bovenvermelde onderscheiding in acht te nemen.
+1.  In den eigenlijken engeren zin. Van toebereide spijzen. Ze in de schotels enz. in orde brengen en gereedmaken om te worden opgedischt; bij uitbreiding ook van het opdisschen zelf gezegd.
De spijzen, de schotels aanrechten.
  poëem WNT
De helft van de opgediste schotelen, wel bereid en ter passe aangerigt,   V. EFFEN, Spect. 3, 88 [1732].
Men recht 'er wildbraad aan, en boom- en aardgewassen, enz.   V. MERKEN, Germ. 42 [1779].
+2.  Bij uitbreiding. Van eenen maaltijd, als het collectieve begrip van verschillende spijzen. Het voor den maaltijd benoodigde doen gereedmaken en opdisschen. Bepaaldelijk gezegd van eene min of meer welvoorziene tafel, die het opdisschen van verscheidene schotels en dus meer zorg in het gereedmaken en toestellen onderstelt.
Eenen maaltijd, een gastmaal aanrechten.
  poëem WNT
Ende Levi rechtede hem een groote maeltijt aen,   Statenb., Luc. 5, 29 [ed. 1688].
Dat de Gilde-Broeders van de Schutterye, om tijdt-kortingh, aenrechten een Bancket,   VISSCHER, Sinnep. 164 a [c. 1600].
In die dagen werden ook wel maaltijden aangerigt, en maaltijden, waarop althans de matigheid niet voorzat,   V.D. PALM, Sal. 7, 171 [1816].
Om de eigen disch, dien hij had neêrgesmeten, En dien men thans op nieuws had aangerecht,   V. LENNEP, Poët. 7, 57 [1830].
Zie, open-tafel regt ik heden Voor al de starren aan,   TOLLENS 7, 45 [1802].
Afl. en Samenst. Aanrecht, aanrechting
Aanrechtbank, aanrechtkeuken, aanrechttafel.

Supplement bij AANRECHTEN

1. 
Alhier is een dinck om spijs aen te rechten …, in manier, dat de aenrechter de gasten niet sien en can,   HOOFT, Br. 2, 439 [1600].
2.  Het is de vraag of dit gebruik als minder eigenlijk dan het voorgaande beschouwd moet worden.
Argentum escarium … B. Een siluercontoor, siluer om aen te rechten,   JUNIUS, Nomencl. 284 a [1567].
— De weert heeft … de Tafel aen gherichtet, Met glasen en kroesen gestichtet …, Seer vreughdelijck willen wy suypen,   Veelderh. Gen. Dicht. 184 [16de E.].
Afl. Aanrechting (”Als ghy veracht de aenrechtinghe van mijn tafel”, V. ZUYLEN V. N., Plut. 300 a [1603]; ”Het eigenlijke avondbrood … werd nu slechtsals eene hartsterking gebruikt, maar zonder eenige aanregting”, STUART, Nag. Red. 2, 55 [± 1820]).
Samenst. Aanrechthoek, aanrechtkamer (Luchtvaartw. 38).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.