Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AFLOOP Volgend artikel: AFLORSEN
GTB Woordenboeken: MNW

AFLOOPEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,refl.,st.)

Modern lemma: aflopen

onz., bedr. en wederk. st. ww. der 10de kl., met zijn en hebben: liep (zich) af, is afgeloopen en heeft (zich) afgeloopen. Uit Loopen en Af, beide in verschillende opvattingen. Hd. ablaufen.
+I.  Onzijdig, met zijn en hebben.
+II.  Bedrijvend, met hebben.
+III.  Wederkeerig.
Afl. Afloop. Voorheen ook aflooping (in de bet. onz. B, 1, d).
De afloopingen der wateren,   Statenb., Jos. 10, 40 [ed. 1688]
 ; Statenb., Jos. 12, 8 [ed. 1688].

Supplement bij AFLOOPEN

Mnl. aflopen.
I, I, A, 1, a, α). — Absoluut, zonder van.
(De jagers) ginghen met de selve (t.w. honden) te velde; d'een voir, om aen te locken; d'ander achter, om voirt te drijven; andere aen de sijden, om het afloopen te beletten,   MERULA, Wildern. 2, 54 [1605].
Zonder dat haar zal mogen verschoonen, dat de voorsz. honden … buiten haar weeten gevolgd, of alleen afgelopen zoude mogen zyn,   bij DIERQUENS, Br. aan J. Rendorp 92 [1677].
— Als jagersterm. Het afloopen.
Een konijn loopt het af op zijn pijp, loopt naar zijn pijp toe,   bij V. GINNEKEN, Handb. 2, 541 [1904].
Aan- en afloopen.
Een expressen aen-ende afflopende boode,   in HAAK, Oldenb. 1, 127 [1587].
— Van vaartuigen.
Na dat wy twee glasen vant Eylant afgheloopen waren, hebben wy een zeyl vernomen,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 80 b [1598].
De gene die met eenige Schepen ofte Jachten vande Kusten, daer sy varen ofte Kruyssen afdrijven, of sonder ordre af-loopen, onder pretext van afgedreven te zijn,   Gr. Placaetb. 1, 632 [1647].
Off het voorts naer St Helena sullen hebben laeten affloopen ofte noch bijhouden, om … weeder de bay te beseylen,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 30 [1659].
Ook in den zin van: afzeilen.
Een Hamborger boijer die een baelken in heeft, is op 11 ditto hier af gheloopen,   Br. Coll. v. d. Meulen (n°. 609 c) v. 16 Jan. 1596.
β) Niet alleen in de genoemde uitdrukking. maar ook in 't alg.: verlaten, in den steek laten. Voorheen met een pers. in den 3den nv. (verg. Mnl. W.)
Waer zijn nu zijn (des keizers) Heeren, Baroenen … Zijn magen, schoon vrouwen, sy zijn hem al afgeloopen,   VALCOOCH, Reg. d. Schoolm. (ed. DE PLANQUE) 343 [1591].
Lieve Iesu, … Die soo dier my wilde koopen. Als ick u was af-geloopen, En my wed'rom hebt her-stelt,   À CASTRO, Liefde des Hem. 258 [1686].
b, α) In de eerste aanh. heeft af de bet. van naar beneden, in gewijzigde opvatting (31, a, Suppl.).
2, a, α)
Het af- en oploopen van den stroomafnemer tegen den rijdraad,   Spoorwegtechn. 3, 557 [1937].
De ketting van mijn fiets is er afgeloopen.   poëem WNT
β) — In oneig. uitdrukkingen.
Om dat ghy begeerich zijt ende gierigh, oft noch so ware, dat het al na uwen draet afliepe,   BISSCHOP, Lof. d. Suyverh. 2, 54 [1626].
Me dunkt, alles is reeds zo ouwbakken; wy weeten zo, hoe de schakel afloopt, van dat wy in onze koets treeden, tot dat wy des nagts vermoeid weder t'huis komen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 391 [1784].
Afloopen als een bobijn; zie Dl. III, 10. Verg. de volg. aanh.
Hedde ze hooren afloopen? … Is me dat 'en babbelwijf!   CORN.-VERVL. [1899].
— Van een uurwerk, fig.
ô Mens, beschik uw zielenstaat, Terwyl des levens uurwerk gaat; Want als 't gewigt is afgeloopen Van deezen korten leevenstyd, Daar is geen ophaal weêr te koopen,   LUYKEN, Mens. Bedr. 131 [1694].
B, 1, a)
De Wallen met het afloopen van buyten te bederven,   Gr. Placaetb. 4, 389 a [1690].
— In de bij 31, a, Suppl. genoemde toepassing.
Ik zie den armen jongen nog zitten in de ledige studiezaal, bezig met schrijven …, en dan komen afloopen om de laatste vijf minuten van den speeltijd met mij door te brengen,   BERGMANN, Staas 34 [1874].
b)
Hier zagen wy een frans Nieuw schip afloopen in zee; hadden dat vol kindere … gedaan … de welke … loopen dan gelykerhant snel na vooren, om zo het schip aan 't afloopen te krygen,   SCHELLINKS in Oudheidk. Jaarb. 1942, 22 b [1646].
Heden is affgelopen de hier gemaeckte sloep genaempt Robbejacht,   V. RIEBEECK, Dagverh. 1, 530 [1655].
Een Schip tot Emden van de werf afloopende, (is) bij ongeval om-gheslaghen,   V. NYENBORGH, Weeckw. 100 b [1657].
c, α) — Met een pers. in den 3den nv.
Ist hem soo al af gheloopen soot was opghegoten,   DAVID, Doolh. 320 [1605].
Ter harten trocken uyt de klachten droef met hoopen, Dies my een Bronne is van tranen afgeloopen,   BREDERO 2, 75 [1615].
β) — Ook in andere toepassingen.
De walmeister ende H. elck 3 daeg gearbeit op den wall, … ende oeck by de nypaert, daer die wal seer afgeloepen wass van stortregen,   Rek. v. Nijm. 2, 181 [1511].
— Oneig., in de plantkunde.
Afloopend heet een blad, waarvan het bladmoes zich nog een eind langs den stengel voortzet,   Kath. Encyclop. [1933].
— Hierbij misschien ook de Antwerpsche uitdr. afgeloopen visch, visch die dicht bij 't bederf is en reeds een reukje heeft (CORN.-VERVL. 1531 [1906]).
d, α)
Des nachts werde tsluysken voorsz. aen stucken geslaegen, sulcx dat t'Oeyewaeter weder begonst off te loopen,   DUYCK, Journ. 1, 61 [1591].
Een Canaal … te graven, om 't brakke Stadswater te doen komen tot aan 't Nieuwe-diep, en by Ebbe te doen aflopen,   Handv. v. Amst. 354 a [1675].
Met die ebbe van een sprinckvloet, so loopender de stroomen ende t' water so sterck en geweldich af, datter gheen wint toe mach helpen om teghens op te comen,   V. LINSCHOTEN, Nav. d. Port. 46 b [1595].
Synde 9 dagen, vermits het vehement afloopende van gemelte rivier, in het oproeyen onder weege geweest,   Daghreg. Bat. 1641, 352 [1641].
Aflopend tij,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
β) — Fig., van een trein.
Wanneer het publiek uit een aangekomen trein komt, wordt gesproken van het ”afloopen van een trein”,   UGES, ”Klaar achter?” 47 [1932].
e) Fig. Van prijzen en vandaar van goederen: dalen in prijs.
't Kooren loopt op en afLe blé augmente & diminue de prix,   HALMA 380 c [1710].
  N. Mag. v. Ned. Taalk. 3, 115 [1856] (Overijsel).
2) Ook met betr. tot trappen.
Het witte terras, dat met drie breede treden afliep naar de glooiende grasvelden vóór het huis,   NAEFF, Voor de Poort 1, 5 [1912].
— Als vakterm.
Aflopende Lysten … worden … Leeden genoemd, welke beneeden eene Lyn- of Waagrechte Vlakte hebben, en boven met een ingeboogen Quart van een Cirkel-Rond verzwakt zyn,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
Afloopend … Wanneer het rondist naar den linkerkant der tang is gericht,   LEVIT.-POLAK, Diam. [1908].
II, 1) De toepassing van afloopen op den tijd is jonger dan en afgeleid uit die op handelingen, die gedacht worden als zich in den tijd te ontrollen. Tevens is hierbij gedacht aan het afloopen van glas of uurwerk, maar het is niet noodig deze voorstelling als de eenige of voornaamste grondgedachte van de onderhavige toepassing te beschouwen. In een aanh. als de volgende staat ”glas” reeds metonymisch; verg. GLAS, 2, b
Myn glas is afgeloopen; myn jaaren zyn ten einde,   HALMA [1710].
2, a)
De voorschreve Rolle zijnde afgeloopen, sal gehouden werden de 's Heerendaaghsche Rolle,   Gr. Placaetb. 5, 1204 a [1660].
Dat de Impost Rol van nu voortaan in plaatze van Vrydag, zal dienen alle Dingsdagen na het aflopen van den Schouten Rolle,   Handv. v. Amst. 628 b [1728].
Het ademen werd zwakker … ”Het loopt af,” knikte E.,   FALKLAND 2, 65 [1898].
Afgeloopen! Elliptische zegsw. voor: dat is het eind, daarmee is de zaak uit.
Twee blanke bedelaars, die in El Haura waren gestrand. Afgeloopen,   HUIZINGA, Tien Gl. 32 [1942].
Zanik nu maar niet meer, je krijgt het toch niet. Afgeloopen!   poëem WNT
Afloopend krediet. Zie Dl. VIII, 129.
Afloopende paaiementen, in termijnen te betalen schulden.
Lyfrenten ende afloopende payementen, de welcke (al zyn die gherealiseert) bekent zyn mobilaire,   Cost. v. Gent 1, 32 [1563].
Afloopende schuld, die op den duur afgelost wordt.
Dat de houders van de afloopende schuld worden behandeld op eene even gunstige wijze als de crediteuren van 's Lands perpetuële schuld,   Besl. v. 23 Juni 1814  (Stbl. 68).
Een leening, die binnen weinige jaren moet afloopen,   PIERSON, Staath. 2, 699 [1902].
b)
Niemant en meende int eerste van hemlien ghestorven te hebben om haer mesgrijpen ofte mesdaet, maer dat al zoetelic afloopen zoude,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 214 [1567].
Dat haere saecken langhs so ergher worden, ende geschapen waren qualick af te loopen,   Apol. v. W. v. Or. 42 [1581].
De voorschreven rencontre, die genoechsaem voor beyde partyen even advantagieux afgeloopen is,   JOH. DE WITT, Br. 1, 75 [1653].
Laat alles met een Jan van Leyden afloopen en blaauw blaauw blijven,   V. WAESBERGE in Schied. Alm. 1839, 65.
Met iemand afloopen.
Vond' u oude vader U beyden eens te gader, 't Liep qualijck met u of,   BREDERO 1, 338 [c. 1615].
II, A) —
Hij zou zyne beenen voor u afloopen,   V. ELSEN, Zegw. 57 [1914].
B)
Dan looptmen af syn schoenen, Slechts om een buyck vol soenen,   BREDERO 1, 320 [c. 1615].
C) Voorheen en in het Zuiden in ruimeren zin voor: ontnemen, ontrukken.
Naar dien 't … bleek, dat … Navarre, den wettigen Koning Iohan … door Ferdinand van Arragon was afgeloopen …, zo zoude de Koning hem … helpen, om dies weder meester te werden,   HOOFT, Henr. de Gr. 32 [1626].
Hij heeft mijne beste klanten afgeloopen,   in O. Volkst. 3, 4 [1883]
 (W.-Vl.).
Een prijs laten afloopen, er om laten hardloopen (TUERL.).
D, 1, a bis) Oneig. met betr. tot een onderwerp dat men behandelt.
Dese orden moeten wy oock houden in onse meditatie, eerst teenemael af-loopende de historie die wy voor handen hebben, daer naer enz.,   ZACHMOORTER, Bruydeg. Bedd. 1, 56 [1628].
b) Niet alleen van boodschappen.
Druk dat het dien middag was in 't café … ze wisten niet hoe alles af te loopen. …!   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 108 [1910].
Ze zoû … tien, twintig jours op haar opschrijfboekje hebben om af te loopen,   COUPERUS, K. Arab. 204 [1911].
— In het Zuiden voor: beredderen, opknappen.
Hoe dat het Marten Luther af-gheloopen heeft, als hy … een dochter, die beseten was van den boosen vyandt, pooghde van haren besitter, door sijne belesinghe te verlossen, verhaelt S.,   REYNIER, Clooster v. H. Anth. 2, 6 [1629].
Ge moet u met die zaak niet bemoeien, ik zal die wel afloopen,   JOOS [1900-1904].
Blijft gij maar thuis, ik zal 'et wel afloopen,   CORN.-VERVL. 1535 [1906].
2, a) — Oneig., niet alleen in de deuren afloopen.
Plichtmatig met den grijnzenden vriendelijkheidslach, liep hij dan de huisgenooten een voor een af om handen te geven,   BRUSSE, Boefje 23 [1903].
Was er één kermis in de ronde, die hij met F. niet had afgeloopen?   V. D. WOESTIJNE, Schroefl. 1, 15 [1914].
— Overdrachtelijk.
Eenen grooten brant, die een groot deel van de binnen ende buyten stadt lancx strant afgheloopen hadde,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 43 d [1598].
b)
Den XXIXen decembris …, quammer weder eenen grooten hoop ghues … in de prochie van Robais, daer een vrauwen clooster staet, meenende tzelve afgheloopen thebben,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 70 [1566].
Den vyant op tsijne niet en sliep, Maer ten eersten de schans op Thonne ofliepEn heeft zijn aenslaghen listich begonnen,   Geuzenliedb. 1, 164 [1573].
Brennus …, die med synen broeder Belino eenen grooten hoop volcx vergaderden, ende daermede een deel landen ende steden af liepen,   D'HEERE, Britsche Eil. 40 [1575].
Eenen Dogg' …; Die aen sijns meesters bloed nu sat en dol gesopen Wil (soo het schijnt) de heele Weereld af gaen loopen,   in SCHEURLEER, Van varen en vechten 1, 399 [1653].
— Overdrachtelijk met een persoon als object. Zeer ongewoon.
Witte casacken, die zij ghemaect hadden vande abijten van eenighe monicken, die zij afgheloopen ende verdreven hadden,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 212 [1567].
— Van een schip.
De Bewinthebbers … suyverden de vloot van alsulcke meutighe Struyrluyden …, onder anderen in 't schip Leyden dat zy hadden willen af-loopen,   MEERMAN, Com. Vet. 26 [1612].
Wie hier come, sie wel voor hem, ende west altijt, op u hoede, want die Negros sullen alle listen aen-wenden, om u, met haer Canoan af te loopen,   RUITERS, Toortse 64 (uitg. Linsch.-Ver.) [1623].
Hoe de pangoran Ratus … met den synen in communicatie gecomen was, hoe men de Nederlantsche schepen voor Bantam liggende gevouchlijckst vermeesteren ende affloopen conde,   Daghreg. Bat. 1624, 35 [1624].
Eene premie uit te looven voor elk vyandelyk schip, dat in den brand gestoken, afgelopen of wel anderzints vernield zal worden,   N.-I. Plakaatb. 13, 162 [1800].
E, 2de al. Deze uitdr. hooren onder A).
F) Af in de bet. 30, c bis). Iemand afloopen, het van hem winnen in het loopen, hem voorbij loopen.
Yemanden afloopen. Auancer aucun de courrir,   PLANT. [1573].
— Onbesprooken bleef ook nocht d'een', nocht d'ander' Hooftman; de Spaansche, als hebbende te slappelyk doen aandringen, en daardoor gefaalt der Staaten leegher af te loopen; Bossu enz.,   HOOFT, N.H. 595 [1642].
Wezzel Eentjes het ze aalmoal òfloop,   TER LAAN [1929].
— Hierbij misschien de volg. uitdr.
Ik zou om een oortje de droes wel een been aflopen,   V. BREEN, Blindeman 8 [± 1660].
III. 
Gants afgeloopen. Totallement affoibli de courrir,   PLANT. [1573].
— Nae dat de gulde Son zijn afgeloope Jaght Des Avonds op de stal te rusten had gebraght,   WESTERBAEN, Ged. 1, 9 [1624].
Afl. Aflooper, meest in technische benamingen van zaken, zie HARTE, Molenb. 66 b [1849]; BOEKENOOGEN; RONSE, Windm. 155; DE COCK en TEIRL., Kindersp. 5, 41 [1905]. Volgens aant. V. GEZELLE ook als benaming voor een wekker.
Aflooping, ook in andere bet.
Om het perikel van aflooping of verlooping tot den vijand (van ”delinquenten en gecondemneerden”) voor te komen,   N.-I. Plakaatb. 1, 45 [1617].
Voorbeelden van … afloopingen van schepen,   NOMSZ aangeh. in Tijdsp. 1873, 1, 427 [1789].
Samenst. Afloopbaan.
De afloopbaan … van een schip dat op één slede te water wordt gelaten,   Scheepsb. en Scheepv. 1, 115 [1944].
Afloopkijkgat (Dl. VII, 2890).
Afloopkraan (Dl. VIII, 33).
Aflooplijn, profiel waarlangs een grondsoort in een helling van nature ligt, zonder verder af te schuiven.
De natuurlijke afloopslijn van alle aardsoorten,   CALAND, Dyksb. 41 [1833].
Afloopsnelheid.
Dat het afschot en in verband daarmede de afloopsnelheid zoo groot mogelijk moeten worden genomen,   Scheepsb. en Scheepv. 1, 112 [1944].
Afloopstroop (Dl. XVI, 181).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1869.