Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AFVOÊREN Volgend artikel: AFVOEREN II

AFVOERENI

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: afvoeren

bedr. zw. ww., met hebben: voerde af, heeft afgevoerd. Uit Voeren en Af, beide in verschillende opvattingen. Ohd. abafôrjan (GRAFF 3, 594), nhd. abführen. Als causativum van varen, dat oudtijds in 't algemeen gaan beteekende, heeft voeren, d. i. doen gaan, de dubbele opvatting van geleiden en van vervoeren, overbrengen, naar gelang het van personen of van zaken gezegd wordt. In beide opvattingen geldt ook de samenst. afvoeren. Verg. het aangemerkte bij AANVOEREN (in 't begin).
+I.  Voeren in den zin van geleiden. Van personen.
+II.  Voeren in den zin van vervoeren, overbrengen.
Afl. Afvoer (zie ald.)
afvoerder (afvoerster)
afvoering, hetzelfde als het meer gewone afvoer (”Is dit nu zoo in de rivieren, hoe groot moet dan die aan- en afvoering van zanden op onze stranden … niet zyn?” BERKHEY, N.H. 2, 678 [1770]). Vandaar het samengest. afvoeringskanaal, hetzelfde als het meer gewone afvoerkanaal (”Vooraf trachte men — althans indien de grond … nat mogt zijn — dien door een afvoerings- of draineer-kanaal … droog te leggen,” WITTE, Tuinb. 30).
Samenst. Afvoerbank, afvoerbuis, afvoergeul, afvoerkanaal, afvoerpijp, afvoerrol (zie ald.).

Supplement bij AFVOERENI

I,.  A, 1)
In 't ghelit gaen daer 't hem geordonneert sal werden …, sonder … van de selve plaetse te moghen gaen, dan afghevoert zijnde,   Handv. v. Amst. 143 b [1580].
De oeffeninge sal moeten geschieden met sulck geweer, als men huyden-daags is gebruykende, de Burgers in ordre stellende, op en affvoerende en chargerende naa Krijgs-gebruyk,   170 a [± 1680].
1.  bis) Van ledematen. Ze van de lichaamsas verwijderen. Verg. afvoerder.
De ledematen spreiden is ze van de middellijn verwijderen (afvoeren) en de een van de andere,   CUPÉRUS, Turnvakt. 98 [1886].
Het zieke been (wordt) in sterk geadduceerde stand gebracht en nu moet de patiënt de knie (het bovenbeen) ver afvoeren en terug laten gaan,   Leerb. Heilgymn. 251 [1942].
I.  bis) Af in den zin van uitputting (30, n)) en voeren in den zin van mennen. Afjakkeren, afmennen. In Z.-Nederl. vrij verbreid (SCHUERM., Bijv. [1883]; TUERL.; JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 2193).
II,.  A, 2) Ook van zaken.
Een kind, dat op eene lagere school geplaatst is, mag op aanvrage van den … voor zijn onderricht aansprakelijken persoon door het hoofd der school van de lijst der leerlingen worden afgevoerd,   Leerplichtwet, a. 11 [1900].
Zijn laatst opgevoerde stuk ”Le Mariage d'Hamlet” mocht geen gunstige pers krijgen en het werd dan ook spoedig van 't speelplan afgevoerd,   V. GASTEREN in Masker 3, 115 a [1923].
B,.  2) Ook van gassen.
Aan den binnenkant der wielen zijn schoepen aangebracht … waarvan 2 stuks de lucht … naar de trommels toevoeren, terwijl de andere twee de lucht afvoeren,   Spoorwegtechn. 3, 726 [1937].
De snelheid van den stroom is in de schijf veel kleiner dan in de nauwe afvoerende leiding,   HOLLEMAN, Chemie 1¹², 247 [1942].
Afl. Afvoerder, als vert. van lat. abductor de benaming voor spieren die een orgaan van de as van het lichaam of van die van een der ledematen verwijderen.
  CUPÉRUS, Turnvakt. 28 [1886].
De bovenaan gelegen strekker en afvoerder van den duim teekenen zich daarbij duidelijk af,   Handb. d. Sp. 4, 24 [1924].
Bij het naar voren komen … (zijn) ook de aanvoerders en afvoerders van het been regelend werkzaam,   4, 25.
Samenst. Afvoerbekken (GALLAS [1936])
afvoercylinder (KUYPER, Technol. 2, 412 [1816])
afvoergas (V. GELDEREN-V. BECKUM [1940])
afvoergoot (ZWIERS 1, 29 b [1917]; Gids 1924, 1, 63)
afvoergreppel (BEZEMER [1934])
afvoerinrichting (Spoorwegtechn, 3, 363 [1937])
afvoerklep (GROTHE, Kennis v. Werkt. 307 [1875])
afvoerkoker (”een naar boven toe verder het muurwerk ingaande sleuf, die als het uiteinde van een afvoerkoker op te vatten is”, RENAUD in Oudheidk. Jaarb. 1938, 67 b)
afvoerkraan (GALLAS [1936])
afvoerkromme, grafische voorstelling van het verband tusschen de waterstanden op een bepaald punt, en de daarmee overeenkomende (gemiddelde) afvoeren van de rivier of het kanaal (ZWIERS [1917])
afvoerleiding (”Om het overstroomen van dit reservoir te voorkomen is de afvoerleiding g aangebracht”, Spoorwegtechn. 3, 491 [1937])
afvoermeting, bepaling van den afvoer van een waterloop (Kath. Encyclop. [1933])
afvoermiddel, naar hd. abführende mittel, purgeermiddel (b.v. V. BREEMEN, Chron. Rheumat. Z. 422 [1942])
afvoerongelden (”De afvoer-ongelden op de koffij, die van Tjicau herwaarts gebracht werd, te bepalen tegen 19 1/5 stuivers, zilver geld, de picol van 128 ”, N.-I. Plakaatb. 16, 59 [1810])
afvoeropening (THYSSE in Natuurk. Voordr., N.R. 14, 176 [1936])
afvoerprofiel (”De inwendige vorm en afmetingen van riolen, duikers, enz. noemt men het Afvoerprofiel ZWIERS 1, 30 a [1917]); afvoerriool (ZWIERS 1, 29 b [1917]); afvoersloot (Dl. XIV, 1887); afvoerstoffen (GALLAS [1936]); afvoertrechter (Spoorwegtechn. 3, 487 [1937]); afvoerweg (”Omstreeks 1902 begint de Donau opnieuw de aandacht te trekken als mogelijke afvoerweg der olie van het Bekken naar Duitschland”, GERRETSON, ‘Koninklijke’ 3, 96 [1941]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1876.