Koppelingen:
Vorig artikel: BIJTOON Volgend artikel: BIJTREKKEN

BIJTREDEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,st.)

Modern lemma: bijtreden

— vroeger soms BIJTERDEN —, onz. en bedr. st. ww. Uit Bij (Samenst. 4, b) en Treden.
+1.  Tot iemand of tot iets naderen (door te treden).
Ick hebbe ghesien … De Moeder van Thisbe dies moeten wy Heur terden by,   DE CASTELEIN, Pyram. 13 [c. 1530].
Een aep … kwam snakig bygetreên,   CONINCKX, Fab. 185 [1808].
2.  Het eens zijn met eene zienswijze, meegaan met eene of andere richting. Waarschijnlijk eene navolging van hd. beitreten; thans in de geschreven taal van Z.-N. vrij gewoon, in N.-N. ongebruikelijk.
Het gemeen gevoelen, 't welk hij door zijne woorden schijnt bij te treden,   V.D. PALM, Sal. 1, 128 [1808].
Eene volksopbeurende beweging … rechtzinnig bij te treden,   VUYLSTEKE, Proza 1, 36.
Afl. Bijtreder, iemand die toetreedt tot eene vereeniging; in Noord-Nederland onbekend (”De stichters en bijtreders dezer vereenigingen”, VUYLSTEKE, Proza 2, 331 (zie ook 1, 129 ).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1903.