Koppelingen:
Vorig artikel: BONKELAAR Volgend artikel: BONKER
Etymologie: EWN, EWN

BONKEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.)

Modern lemma: bonken

onz. en bedr. ww. Mhd. beiersch punken, nnd. bunken, bonken; verg. meng. bunchen, eng. bunch. Zie BONK (I) en verg. de naar 't schijnt verwante woorden bengel (bongel), bengelen (bungelen) en bink, alsmede woorden als boffen, bommen en bonzen.
+I.  Onz. Van personen en zaken. Hard tegen iemand of iets aan stooten, kloppen, beuken; hetzij opzettelijk, hetzij bij toeval door eigen zwaarte. Verg. BONZEN, 1 en 2).
Ik hoorde herhaaldelijk met geweld op de deur bonken   [1892].
Dat is geen pianospelen: je bonkt op de piano als een klokkenist op de toetsen van het klokkenspel!   [1892].
Bonk niet zoo met je voeten tegen mijn stoel   [1892].
— Van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn stoeltje, dat bonkt tegen den snipperbak, maar slaat de deur … niet ruw achter zich digt,   POTGIETER 2, 13 [1842].
+II.  Bedr. Van personen. Hard slaan, stompen (WEIL. ). Weinig meer in gebruik.
Samenst. Ombonken (zie ald.); enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.