Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: BOT III Volgend artikel: BOT V
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

BOTIV

Woordsoort: znw.(v.,m.)

Modern lemma: bot

— voorheen dikwijls both geschreven; ouder BOTTE, in 't Westvlaamsch BUT —, znw. vr. (voorheen vaak, en in 't Wvl. nog, m.), mv. -ten. Mnl. botte (vr.?), but(te) m., mnd. butte (waaruit nhd. butte vr., maar ook butt m., zw. butta, lett. bute), eng. butt. De oorsprong van dezen naam, die in sommige talen ook voor andere platvisschen wordt gebruikt, is duister, evenals de betrekking van bot met tarbot en heilbot (zie die woorden); de gissing dat het eigenlijk het als zwn. gebezigde (sterk verbogen) bnw. bot zou zijn, en dus eigenlijk zou beteekenen: stompe, platte visch (zie reeds KILIAAN'S vertaling en verg. den vischnaam plaat, pladijs) wordt niet bevestigd door het Westvlaamsch, waar dit znw. but, het bnw. alleen bot luidt.
Zekere visch, behoorende tot de familie der platvisschen en tot het geslacht der schollen, van boven bruin met roestkleurige vlekken (Pleuronectes flesus); langs onze kust (in de zoogenaamde lekken), in de Zuiderzee en in de benedenrivieren met netten — aan het strand ook met een achter een wagen vastgemaakt sleepnet — gevangen, of met eene vork of prik gestoken (zie beneden, de Samenst.). In West-Vlaanderen onderscheidt men den but, fr. flet, picaud, lat. platessa flesus van de plaat of pladijs, fr. plie fransche, carrelet (DE BO [1873]).
+1.  Als voorwerpsnaam.
Bot, pladijs, oft scholle. Petoncle, plie, ou limande, quarelet. Passer, rhombus, plectrum, passer minor, pectunculus,   PLANT. [1573].
Bot, bot-visch. Passer, piscis, rhombus: piscis planus, latus et extensus,   KIL. [1599]
— Doe men liep na Magersluys om Botjens, Dry mijlen van een Stadt daer 't soo goed visschen is, En daer de Baerse-jacht soo rijck valt en soo wiss!,   HUYGENS 1, 552 [1660].
Nu volght de Vischmarkt die zich spiegelt in het Y, En schaft ons overvloet van waterlekkerny. De blanke Baerzen in 't gezicht der Stad gevangen, De bruine en zwaere Bot, des vremdelings verlangen,   ANTONIDES 1, 4 [1671].
+2.  Als stofnaam.
Wij eten vanmiddag gebakken bot.   poëem WNT
— Daer loopt men met Garneel, met Schelvis, … Met Rijgse Bot enz.,   PERS, Bacchus, 107.
Die gene die haar naam voor een Koop van een Wik of Waag Bot of Schol laten te boek stellen enz.,   Handv. v. Amst. 819 b [1672].
Both, Schol, Spiering en Aal komt niet in den afslag; maar wordt, aan een huisje, in 't Y … op paalen gebouwd, en in 't gemeen het Bothhuisje genaamd, aangebragt en verkogt,   WAGEN., Amst. 2, 419 b.
Schelvisch en makreelen, … bot gegraven uit het zand, Of schol,   V. LENNEP, Poët. 1, 158 [1828].
Onze buurvrouw … kwam daareven mij zeggen, dat er veel bot op de Markt is,   SLEECKX 3, 162 [1843].
Ik breng u de zoo bot, eer gij met het water gereed zijt,   3, 163.
Och dan bleeuwtmen, hier is glimpert! Hier is lecker-beck van krimpert! Hier is puyck van bot, en roch!,   V. D. VENNE, Sinne-mal, 29  (zie ook VISSCHER, Brabb. 86 [c. 1600]).
Samenst. Botaak, zekere soort van vaartuig, waarmede bot gevangen wordt
botboer (zie ald.)
botgrond, in 't mv., die gronden in de Noordzee, tussen 56° en 57° N.B. en 6° en 8° W.L., waar de bot gevangen wordt (zie HOOGENDIJK, Grootvissch. 254 )
bothaler, botboer (”De gemeene Bothaalders, en Vissers die haar Bot en Schol alhier ter Stede op de Markten brengen”, Handv. v. Amst. 819 a [1672]
bothuisje (zie de aanhaling uit WAGENAAR, boven, bij 2)
botkar, in Utrecht, kar waarop Bunschoter botboeren visch venten
botnet, waarschijnlijk: sleepnet, achter een wagen vastgemaakt, waarmede langs onze stranden hier en daar bot gevangen wordt, zie Regl. op de Jagt en Vissch. in Friesl., a. 6 (Bijv. Stbl. 1852, 571)
botprik, lange houten steel met eene rij ijzeren, van weerhaken voorziene punten, waarmede op het Wad en in het Noordpolderkanaal in Groningen bot gestoken of geprikt wordt; daarnaast een ww. botprikken (MOLEMA)
botschuit, schuit voor de vangst van bot bestemd (”Dat … geen Bot-, spiering- of andere Schuyten tussen de Y-Brugs-Boom en Nieuwe-Brugs-Boom aan de buyte Palen na de Stad toe en sullen vermogen te leggen”, Handv. v. Amst. 754 b [1671]; ), verg. den titel van een liedboek uit de 17de eeuw, ”genaemt het Enchuijser Bot-schuijtjen, zijnde het derde deel van 't Enchuijser Haringh-Boot, en het vervolg of tweede deel van de Enchuijser Ventjager enz.”, in Nav. 9, 11 )
botvanger, botboer (”Verbiedende mijne voornoemde Heeren den gemelten Bot-vangers, Verkoopers ofte Leveranciers hen met 't Wegen van de Bot te moeyen”, Handv. v. Amst. 818 b [1667]; )
botvisch (zie boven, de aanhaling uit KIL.)
botweger, beambte belast met het afwegen der bot (”Dat, behalven de Bot en Schol, ook aan des Botwegers Comptoir sullen moeten werden gebragt de Spiering en de Aal, om … aldaar met de Schaal gewogen en onder de Visch-vrouwen omgeschoten … te worden”, Handv. v. Amst. 823 a [1688]; zie ook 818 b en 819 a [1672]). — Voorts: Botlek, naam van een lek in het zeegat van de Maas, ten zuiden van het eiland Rozenburg (Beschr. Ned. Zeeg. 3³, 39 ), denkelijk aldus geheeten omdat er veel bot gevangen wordt.
— Als tweede lid. Binnenbot, heilbot, koekbot, IJbot, zijdennetbot (zie die woorden); zie ook TARBOT.

Aanvulling bij BOTIV

Samenst. Botschip, visscherijvaartuig, o.a. voor de botvangst; door KIL. [1599] ook dogger en haringschip genoemd. In de laatste aanh. mog. historiseerend gebruikt.
Doggher. holl. j. bot-schip, haerinck-schip,   KIL. [1599].
— 12 April (1601) deed Van der Dussen rapport van zijn besogne met de Admiraliteit van Rotterdam tot bevrijding van den overlast der Duinkerkers, verklarende, dat hij twee van de grootste botschepen had gekocht in plaats van booten, om met de twee oorlogsschepen, die er voor bestemd waren, gebruikt te worden,   R.G.P. 85, 389 [1941].
Botschuit, hierbij: Botschuitluiden. Veroud.
Myne Heeren van den Gerechte … geëxamineert hebbende de Requeste van de Bot-schuyt-luiden hier ter Stede, Bot, Schol, Tongen en Scharren verkopende, vinden goed, dat enz.,   Handv. v. Amst. 825 b [1706].
Botvisscher.
  BLY, Zee-vissch. 33 [1931].
— De bot-visscher zelf leefde vnl. op bot, die hij met roggebrood en boter at,   DEN HERDER, Brak water 78 [1944].
Botzet, plaats waar de bot komt azen, en om die reden gemakkelijk gevangen kan worden.
De plaatsen, waar gevischt wordt, de zoogenaamde botzetten, waar deze visch opkomt om te azen,   uit een cour. [Tholen, 1934].
Vorige week heeft een botvisscher de netten uit het winterkwartier gehaald en botzetten bezocht zonder iets te kunnen bemachtigen, zoodat voorloopig de netten maar weer opgeborgen zijn,   N. Rott. Cour. 23 Febr. 1934, Ochtendbl. B.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1895.