Koppelingen:
Vorig artikel: BRUSSEN Volgend artikel: BRUTALITEIT
Etymologie: EWN

BRUTAAL

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: brutaal

bnw. Het Fr. brutal (afgeleid van lat. brutus, zwaar, dom), beestachtig, lomp, grof; als znw.: beest, beestachtig, onbeschaafd mensch.
In dezen laatsten zin zal opgevat moeten worden het zelfstandig gebruik in de volgende plaats, waar sprake is van Hottentotten.
Hoe men … (de) beesten ende schapen … best … verseeckeren (soude cunnen) voor deese struyckrovende brutalen,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 165 [1659].
Later is het woord in onze taal alleen als bnw. gebezigd, en wel in eene zwakkere opvatting dan in het Fr. (waar, evenals in 't eng., de gedachte aan het beestachtige, hardvochtige, ruwe van iemands gedrag nooit geheel verdwijnt), t.w. in toepassing op ongemanierde, onhebbelijke bejegening in woorden of daden. In de 18de eeuw nog in 't algemeen; naderhand beperkt tot zoodanige bejegening van personen die door leeftijd, stand of betrekking hooger staan en wien men dus eerbied verschuldigd is: Onbeschoft, onbeschaamd, driest.
Van personen.
Een brutale straatjongen, bedelaar. Eene brutale meid   [1900].
— Hij (een jonge bedelaar) … had … gezegd, dat … mijn Heer hem zoo niet wegjagen zou, maar dat de dienstboden overal veel brutaalder waren, dan de Heeren of Mevrouwen zelve,   LOOSJES, Lijnsl. 3, 3 [1808].
Die brutale knecht stond … op mij te wachten, en snauwde mij toe …: ”Waar blijft de fooi?”   VISSERING, Herinn. 1, 191.
Mag je brutaal wezen tegen je moeder?   MULTATULI 8, 14 [1874].
De eerste week was die man (een schoenmaker jegens eene dame) zeer beleefd, de tweede werd hij stuursch en barsch, de derde onbeschoft en brutaal,   BERGMANN, Staas 108 [1874].
—  Van het gelaat, de oogen enz.
Je zult … je brutalen mond smoren, of ik zal je nog anders trakteeren,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 292 [1865].
Een opgeschoten knaap … met een zeer dom, ondeugend en brutaal gezicht,   BEETS, C.O. 117 [1839].
De ondeugd zag hun (twee jongens) uit de brutale zwarte kijkers,   144.
—  Van de inborst, de uitingen, het gedrag.
't Geen my niet zelden de brutaalste bejegeningen van die schoften (te veel eischende kruiers) op den hals gehaalt heeft,   V. EFFEN, Spect. 3, 31 [1732].
Het zachtste oordeel gaf de schuld aan onbesuisden overmoed. Er waren anderen, die brutale aanmatiging daarvoor in de plaats stelden,   VISSERING, Herinn. 3, 137.
Een twist tusschen Betsy en de vinnige meid, luide bevelende betuigingen en korte brutale tegenwerpingen,   COUPERUS, E. Vere 1, 37 [1889].
—  Ook in minder beperkte opvatting, in 't algemeen: vrijpostig, vermetel, stoutmoedig; meestal met betrekking tot iets slechts. Van personen en zaken. Verg. ook gron. 'n brijtoal gewas: weelderig, veelbelovend.
De ongerijmdste en brutaalste leugens,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 55 [1865].
Een jongling vol brutalen zwier, Met knevels enz.,   V. ZEGGELEN 1, 80 [1841].
Al luidt het devies mijner familie meer brutaal dan eerlijk: de fortuin is met den stouten,   BOSB.-TOUSS., Maj. Frans, 4.
Dat hij … niets beters was dan een brutale avonturier,   53.
—  Zelfstandig gebezigd.
Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe,   MULTATULI 8, 4 [1874].
Zijn oogopslag is vrij, bij 't brutale af,   BEETS, C.O. 2 [1839].
—  Een brutaaltje, schertsend gezegd van eene jonge dame die vrij wat durft zeggen en doen.
—  Zegsw. Hoe kaler hoe brutaler (HARREB. 2, IV b [1861]). — Lang, dun, lekker en brutaal. — De brutalen hebben de halve wereld. — Zoo brutaal als de beul.
Ik ben niet in staat hem langer te regeeren; hij is brutaal als de beul, en maakt een leven als een oordeel,   BOHN-BEETS, Onze Buurt, 31.
—  In de nieuwere taal soms weer, onder invloed van het Fransch, meer in de oorspronkelijke opvatting: grof, ruw, gewelddadig.
Zulke grofheid, zulke brutale baldadigheid (t.w. handtastelijke beleediging),   CONSC. 3, 319 a [ed. 1868].
Brutaal geweld, slechte regeling van het erfrecht, spel en misleiding (hebben) een groote rol gespeeld bij de verdeeling der rijkdommen,   QUACK, Stud. 11 [1885].
De meester had hem (een leerling) op de brutaalste wijze van onder eene bank getrokken, na hem eerst wegens het een of ander verzuim schoppen gegeven te hebben,   LOVELING, Sophie 348 [1885].
—  In de jongere taal der kunst ook in toepassing op kunstwerken die op nog ongehoorde wijze afwijken van den gewonen standaard; niet altijd in ongunstigen zin: gewaagd, stout, gedurfd.
Een brutaal kleureffect. Met brutale vegen geschilderd   [1900].
II.  Bijw. (van wijze). Op onbeschofte, onhebbelijke of vrijpostige wijze; in de verschillende, bovengenoemde opvattingen.
Dit verbod wierd vrij wat meesteragtig, en zelf redelykjes brutaal uitgedrukt (van een man tegen zijne vrouw),   V. EFFEN, Spect. 5, 219 [1733].
't Booze wijf zette tergend brutaal de handen in de zijde. ”Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de bres springt”,   BOSB.-TOUSS., Maj. Frans, 291.
Wat hebt gij (een heer) daar altemaal zoo brutaal tegen dien armen knecht geroepen?   CONSC. 3, 296 b [ed. 1868].
Hij kwam nader en met iets brutaal-hoogmoedigs en bijna uittartends wierp zij haar hoofdje in den nek en zag hem vlak in de oogen,   COUPERUS, E. Vere 1, 169 [1889].
Afl. Brutaalheid, thans minder gebruikelijk dan Brutaliteit (”'t Is of ze met (hunne minderen) … te mishandelen en brutaal te bejegenen, de schaade zoeken te vergoeden, die hunne woeste opgeblazenheid, by gebrek van moed, en enkel uit eene laffe brutaalheid voortspruitende, met de eerste (t.w. hunne meerderen) gedwongen zyn onophoudelyk uit te staan”, V. EFFEN bij CHOMEL, Verv. 714 a [1786])
brutaligheid (”Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond”, MULTATULI 8, 14 [1874]; zie ook MULTATULI 8, 2 [1874])
brutaalweg, verg. botweg enz. (”Gij zoekt het van elkaar te winnen, … met het brutaalweg aangekondigde doel, elkander eens geducht te ”betrekken””, J°. DE VRIES, Zonnebl. 16 ).
— Voorts, rechtstreeks aan 't Fr. ontleend: Brutaliseeren, lomp, grof bejegenen (”Als zij terugkomt, brutaliseert haar echtgenoot (een waard) den baron, die hem daarvoor op eigenaardige wijze doet straffen”, BUSKEN HUET, Rub. 195 [1879]; ”De vrouw … zeide … dat haar man haar gebrutaliseerd had”, N. Rott. Cour. v. 8 April 1896, I, B, 1 d ).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1901.