Koppelingen:
Vorig artikel: DWAAS II Volgend artikel: DWALEN
GTB Woordenboeken: MNW

DWAASHEID

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: dwaasheid

znw. vr. Van Dwaas met -heid.
1.  De eigenschap of toestand dwaas te zijn, de omstandigheid dat iets dwaas is.
Daer en is niet toegeslaeghen als een rijmkoorts, die my twee sonnetten heeft doen rijmelen. … De dwaesheit van bejden blijkt daer meest uit, dat ik enz.,   HOOFT, Br. 1, 304 [1627].
By soo verre hy niet 't eenemael verblint en ware in syn verstandt, betoovert met driedubbele dwaesheydt,   SPRANKHUISEN 1, 39 b [1634].
De jalousie der Chineesen en Javanen ontrent hare Vrouwen, die seer lichtelijck haren na-yver en dwaesheyt komen te betoonen, als andere Mannen … ontrent haer Achter-wooningen vinden,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 37 [1676].
Dat men hem … tijd moeste geeven om zijn dwaasheyd t' overdencken,   in Bijdr. Hist. Gen. 26, 39 [1748].
Komt zyne ondankbaarheid, zyne dwaasheid voor myne rekening?   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 337 [1785].
Polybius (had) … den spot gedreven met de dwaasheid der orakelvragers, die enz.,   GEEL 170 [1838].
Maar de dwaasheid der menschen … draagt de schuld van al de gruwelen die de revolutie, toen zij eens was los gebroken, natuurlijk met zich moest brengen,   FRUIN, Geschr. 10, 89 [1853].
De dwaasheid, die hem in 1785 eene onberaden echtverbintenis had doen sluiten,   BUSKEN HUET, Fant. 2, 171.
2.  Een teeken dat iemand dwaas is, een verschijnsel van dwaasheid.
Op menschen te steunen is dwaesheyt,   in Bijdr. Hist. Gen. 17, 286 [1617].
't Waer groote dwaesheydt, hier over een harnasch aen te trecken; want geen van alle dese meyningen strijt tegen de winckel-mate des Geloofs,   SPRANKHUISEN 1, 7 b [1634].
Ei zeg, gij stugge Wijsgeer, Wat smaalt gij op mijn zangen En noemt hen laffe dwaasheid?   BELLAMY 149 [c. 1782].
De onderhandelingen van dezen zomer hebben getoond dat het dwaasheid zoude zijn zoodanige hoop te koesteren,   FALCK, Br. 229.
Daarbuiten voorspellingen te willen wagen zou dwaasheid wezen,   BUYS, Stud. 1, 412 [1870].
+3.  Dwaze handeling, dwaze gedachte, dwaze beweering.
(Het) was niet dan een nieuloopicheijt ende gheen waerachtighe bekeeringhe van vele, ja meer een dwaesheijt ende zodtheijt dan een bekeeringhe te achten,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 289 [1566].
Waarom hebdy doch dees dwaasheyt voorgenomen?   BREDERO 2, 70 [1615].
Dit durf ik u beloven ik zal mijne dwaasheden uitwisschen door oplettendheid, en zorgvuldigheid,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 1, 122 [1793].
Het best voor u zou geweest zijn, de eene dwaasheid te genezen, door de andere te begaan,   V. LENNEP, K. Zev. 2, 209 [1865].
Grooter dwaasheid en zonderlinger inconsequentie zou trouwens niet kunnen worden uitgedacht, dan dat men enz.,   BUYS, Stud. 1, 134 [1866].
Ik hoop …, dat gij er ernstig over zult nadenken, vooraleer u eene dergelijke dwaasheid, om geen harder woord te gebruiken, te veroorloven,   SLEECKX 16, 36 [1863].
Te midden van de dwaasheden van het Carnaval,   in QUACK, Stud. 132 [1868].
Na de dwaasheden van M. de Foere kwamen de hatelijkheden,   ROOSES, Schetsenb. 72.
Een dwaasheid uit passie verwacht ik niet van je,   COUPERUS, E. Vere 2, 105 [1889].
Ik zie hem wel eens zoo dwaasheden verkoopen met … de Eekhofjes, en dan verwondert het me altijd, dat die meisjes niet vreeslijk gepiqueerd zijn,   3, 205.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1915.