Koppelingen:
Vorig artikel: ERGENS Volgend artikel: ERGERINGS
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

ERGEREN

Woordsoort: ww.(trans.,refl.,intr.,zw.)

Modern lemma: ergeren

bedr., wederk. en onz. zw. ww. Mnl. argeren, ergeren, mnd. argeren. Van den vergrootenden trap van Erg.
+A.  Bedr.
B.  Wederk.Zich ergeren, ontstemd en min of meer verontwaardigd worden; aanstoot nemen.
Wil't u doch niet ergheren noch stooten an de wercken ende oordeelen Gods,   GNAPHEUS, Tob. 119 [1557].
Niemandt en heeft sich te ergeren, dat wy dese getuygenissen der Heydenen by brengen,   SPRANKHUISEN 1, 40 b [1634].
Doodlyk kan ik my ergeren, als ik het lieve Vader ons zo oneerbiedig hoor rabbelen,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 128 [1789].
Zij … neeg …, zonder recht te weten, of zij zich moest ergeren aan het ontvangen compliment, dan wel er om lachen,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 60 [1865].
Midden onder het spel had Anne zich aan de woeste dartelheid der toonen geërgerd,   POTGIETER 1, 110 [1844].
Drie jongens (zaten) zich … te ergeren. Zij zouden gaarne kruisjas gespeeld hebben, en er ontbrak hun een vierde maat,   SLEECKX 3, 257 [1843].
Indien zich iemand mocht hebben geërgerd … aan onze opinies …, eenigszins verschillend van de zijne,   DE GÉNESTET 2, 364 [1857].
Is het te verwonderen …, dat Willems … zich aan zooveel kwade trouw ergerde en even vinnig de Franschgezinden aanviel als hij en de zijnen werden aangevallen?   ROOSES, Schetsenb. 30.
De Amsterdammer … ergerde zich niet aan het Moortje van Bredero,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 1, 59 [1887].
+C.  Onz.
Afl. Ergerlijk, ergernis, verergeren (zie die woorden).
Koppel. Doodergeren (zie kol. 2856).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1917.