Koppelingen:
Vorig artikel: GEHEEL I Volgend artikel: GEHEELAL

GEHEELII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: geheel

znw. onz., mv. geheelen (in de bet. 2). Het bnw. Geheel, als onz. znw. genomen.
+1.  Eigenlijk. Eene stoffelijke of onstoffelijke zaak, gedacht als eene eenheid, als de vereeniging harer gezamenlijke deelen, en beschouwd in tegenstelling van die deelen afzonderlijk.
Een geheel in zijne deelen splitsen. Hij is niet tevreden met een gedeelte, hij wil het geheel hebben.   poëem WNT
— Een gering lid van het eindelooze geheel,   OPZOOMER, Wezen d. Deugd 24 [1848].
Of hoe 't gehemelt, bij 't genieten van elk deel,
Den heulsmaak opving van 't harmonische geheel.
  V. LENNEP, Poët. 13, 22 [1852].
Dat bloed, dat, uit een aêr geweld, …
… 't leven spuit naar ieder deel
Van 't door zijn kracht bewaard geheel.
  3, 210.
+2.  Bij uitbreiding.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1877.