Koppelingen:
Vorig artikel: INKRIJT Volgend artikel: INKRIMPING
GTB Woordenboeken: MNW

INKRIMPEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,refl.,st.)

Modern lemma: inkrimpen

onz., bedr. en wederk. st. ww. Mnl. incrimpen, -crempen. Uit In, bijw., V, 3, A, 6°.) en Krimpen.
+I.  Onz. — Zich samentrekken, kleiner worden, slinken.
+II.  Bedr.
+III.  Wederk. — Kleiner worden, zich beperken, enz. (verg. de bet. opgenoemd onder II).
Naarmate de vegetatie aldaar (t.w. in het gebergte) zich van jaar tot jaar inkrimpt en de liggende sneeuwgronden zich al steeds verder uitstrekken,   BILD., Br. 4, 183 [1824].
Die bedriegelijke meetsnoeren, die zich inkrimpen en uitrekken, naarmate men er belang bij heeft, om iets kleiner of grooter te vinden,   V.D. PALM, Sal. 5, 206 [1811].
Voor ons, die van geenen maatstaf van zedelijkheid houden, welke zich uitzet, waar het hertog Aelbrecht geldt, welke zich inkrimpt, als er sprake is van vrouwe Jacoba …, steekt enz.,   POTGIETER 2, 172 [1844].
Afl. Inkrimping (zie ald.). — Voorts (in de bet. I) Inkrimp, het inkrimpen (term van de turfvenerij)
inkrimpig (”Wanneer het Kwartier (t.w. van den hoef) … natuurlyk kleen en inkrimpig is, byzonder aan de veerzen, dan noemt men zulk een Paard Naauwveerzig”, BERKHEY, N.H. 4, 1, 204 [1779]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1910.