Koppelingen:
Vorig artikel: KLUCHT Volgend artikel: KLUCHTIG II

KLUCHTIGI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: kluchtig

— voorheen soms KLUFTIG —, bnw. en bijw. Van Klucht. Ook het ripuarischfrankisch kent klöftig. In 't algemeen beteekent kluchtig: lachwekkend, grappig, t.w. in het alledaagsche genre en zonder fijne geestigheid enz., dus vrijwel hetzelfde als: komiek (verg. de Aanm. beneden); van personen gezegd, veelal — althans tegenwoordig — met het bijdenkbeeld dat zij voor gek spelen, potsierlijk doen, enz.; en van zaken gezegd, dat zij belachelijk, onzinnig, zijn.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. Kluchtigaard, kluchtig persoon (b.v. SCHUERM., Bijv. [1883]; LOVELING, Sophie 407 [1885]).
Kluchtigheid.
Zommighen, uit steedsche kluftigheit beroofden de onverdachte soldaaten, steelscher wyze hunne zwaardtriemen afsnydende, en vraaghende oft zy gegordt waaren,   HOOFT, Tac. 383 [c. 1635]  (lat.: vernacula urbanitate).
D'ander …, ziende ook 't werk dus verwart …, had het al zachtelyk laaten glyen; jaa zelfs, met een' hoofsche kluchtigheit, uitgeslaaghen, dat hy zyn soldaat wilde weezen,   HOOFT, N.H. 268 [1642].
De Waterlandtsche Boerinnetjes … dansten hier vermaeckelijck voor de Prins, diverse kluchtigheden aenrechtende,   Holl. Merc. 1660, 112 a [1661].
Zelf Amsteldam, verliefd op grootsche treurtooneelen, Laat blvde stoffen speelen Den Sarsinaat ontleend, En streeld, met kluchtigheid, haar sloovende gemeent,   SMIDS, Gesch. Cinthia I.
De vriendelijkste, de beste jongen van de wereld. De vreugde en de kluchtigheid zelve,   CONSC. 2, 192 b [ed. 1868].
Kluchtiglijk, bijw. (KIL.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1936.