Koppelingen:
Vorig artikel: MEDICINEEREN Volgend artikel: MEDIEEREN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MEDICUS

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: medicus

znw. m., mv. medici.
Van lat. medicus. Ook in het Mnl. voorkomende (zie VERDAM) en nu zeer gewoon (althans in N.-Nederland). Geneesheer.
Zyn Medicus op yder visite, die hy op aandrang der familie deedt, ontydig door den zieken afgedankt enz.,   Philanthrope 5, 356 [1761].
Indien de hoofdbezigheid daar maar niet door lydt, mag … een Medicus Vaerzen maaken,   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 321 [1784].
Deze medicus begrijpt mijn gestel … en den aard van mijn ziekte,   FRUIN, Geschr. 3, 54 [1886].
Op raad van zijn medicus heeft hij het rooken afgeschaft.   poëem WNT
—  Ook wel: student in de medicijnen.
Twee onaangenaamheden, die Nurks mijn goeden medicus deed doorstaan,   BEETS, C.O. 29 [1839].
Er zijn dit jaar veel medici aangekomen.   poëem WNT
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1905.