Koppelingen:
Vorig artikel: MEESTER Volgend artikel: MEESTEREN

MEESTERACHTIG

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: meesterachtig

bnw. en bijw. Van Meester. Het wordt o.a. vermeld bij PLANT. [1573], die het vertaalt met imperiosus.
+1.  Als van een meester in eenig vak van kunst of wetenschap, meesterlijk; fr. magistral; thans verouderd.
Den meesterachtigen kwast van Rembrand,   Handw. 13, 10 [1796].
Dit stuk (eene schilderij) is schoon en meesterachtig,   J. V. RIJSWIJCK 1, 117.
2.  Zich gedragende als een meester in eenig vak, met al het gezag van iemand die het door en door kent; thans ongewoon (verg. de bet. 3).
De Geheimen der Natuur zyn ons te weinig bekend, om meesteragtig over derzelver uitwerkselen te oordeelen,   BERKHEY, N.H. 3, 88 [1772].
+3.  Zich gedragende als een meester, als iemand van gezag, die zegt hoe het wezen moet (verg. fr. autoritaire).
Uw Broeder is wel wat … meesteragtig, en nog al wat gesteld op het geen men noemt zyn rang bewaaren,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 78 [1784].
Afl. Meesterachtigheid, in de bet. 2) en 3) (”Die ondiepe bollen, aan welkers meesteragtigheid zy hun verstand verslaven”, V. EFFEN, Spect. 4, 44 [1732] (zie ook V. EFFEN, Spect. 4, 10 [1732]); ”Hatelijke meesterachtigheid”, V.D. PALM, Sal. 5, 240 [1813]; ”Deze ware zedigheid … verhindert dat de vrijmoedigheid en opregtheid, waarmede men zijn gevoelen uit, in meesterachtigheid ontaarde”, V. D. PALM, Red. 4, 99).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1905.