Koppelingen:
Vorig artikel: NAUWER Volgend artikel: NAUWGEZETHEID

NAUWGEZET

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: nauwgezet

bnw. en bijw. Koppeling van Nauw en Gezet, deelw. In de oudere taal nog zeer vaak opgevat als twee op elkaar volgende woorden, en b.v. met een superlatief nauwst gezet.
1.  In bekrompen omstandigheden verkeerende, armoedig. Thans verouderd.
Aen onvermogent volck en naeu gesetten lieden, Tot noodig onderstant, een open hant te bieden, Dat is voorwaer een werck dat Gode wel behaegt,   CATS 3, 10 a [1660].
Judas … sprack, gelijck het scheen, voor naugesette lieden (d. i. hij behartigde de belangen der armen, als drager van de beurs), Maer sijn gantsch oogemerck dat liep op vuyl gewin,   3, 30 a.
2.  Op een bekrompen manier levende, zuinig of gierig. Thans verouderd.
Wat sou die Dorre-stock, die nau-ghesette Vreckert!   BREDERO 2, 378 [1618]
 (zie nog BREDERO 2, 186 [1617]) .
3.  Bekrompen van opvatting, angstvallig, nauwnemend. Thans verouderd.
't Was wel dat wy de grondt voor Aemstel eerst versweeghen, Wy hadden anders hem niet in 't verbondt ghekreghen. 't Is quaet yet aen te slaen met nauw ghesette liên (G. v. Velzen spreekt),   HOOFT, Ged. 2, 238 [1613].
  Eva: 't Verboôn te smaecken is een smet. Belial: De Schepper heeft niet quaets geschapen. Hoe zijtghe alree zoo naeu gezet? Dit 's bygeloof, VONDEL 10, 405 [1664].
Dit volk (t.w. de Spanjaarden) is seer genegen tot swaarmoedigheit, 't welk haar maakt naauwgeset in haar ommegang, lanksaam en omsigtig in haaren handel,   V. HEEMSKERK, Arc. 107.
4.  Kieschkeurig. Thans verouderd.
Ghy weet …, dat ick … Al vry wat nauw geset en kies op Snollen ben,   BREDERO 2, 70 [1615].
+5.  Nauwkeurig.
+6.  Inzonderheid in het zedelijke: nauwnemend, streng, in de vervulling van zijn plicht.
Luiden naauw gezet genoeg van geweten om staande te houden, dat enz.,   V. EFFEN, Spect. 12, 213 [1735].
Wy (wierden) eindelijk ontwaar …, datze in dat stuk gansch niet naauwgezet waren,   EGEDE, Groenl. 118 [1746].
Vrome naauwgezette lieden,   WOLFF en DEKEN, Burg. 81 [1782].
De naauwst gezette deugd,   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 281 [1785].
Al is men … te naauwgezet om een reis uit de Kerk te blyven,   WOLFF en DEKEN, Blank. 1, 98 [1787].
Doet men nu een staatsman uit dat tijdvak ongelijk, wanneer men hem niet te nauwgezet acht om zich zulk een kleine vervalsching te veroorloven?   FRUIN, Geschr. 4, 141 [1896].
Een man zonder nauwgezet geweten,   V. EEDEN, Stud. 4, 87 [1899].
Afl. Nauwgezetheid.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1910.