Koppelingen:
Vorig artikel: ONBESCHEID Volgend artikel: ONBESCHEIDENHEID
GTB Woordenboeken: MNW

ONBESCHEIDEN

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: onbescheiden

— voorheen ook ONBESCHEDEN —, bnw. en bijw.; -bescheidener, -bescheidenst. Van Bescheiden in verschillende opvattingen, met het voorv. On-. Hd. unbescheiden.
+I.  Als bijvoegl. naamw.
+II.  Als bijwoord (van wijze).
Afl. Onbescheidenheid (zie ald.)
onbescheidenlijk, vroeger ook onbescheidelijk en onbescheidentlijk, bijw., op onvoegzame, voorheen ook: op onverstandige wijze (”De Pastoor moest bekennen, wel reukeloozelyk, onbescheidelyk, en op min dan behoorlyke onderrechting, tot laste van Willem Dirxzoon … aan Meester Ruwaardt geschreeven te hebben,” HOOFT, N.H. 60 [1642]; ”Hoe onbescheidentlik dat Plato oordeelde, wanneer hy de deughd der generatien zei te verbasteren”, DE BRUNE, Wetst. 1, 192 [1644]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1874.