Koppelingen:
Vorig artikel: ONDERDAS Volgend artikel: ONDERDEELEN
GTB Woordenboeken: MNW

ONDERDEEL

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: onderdeel

znw. onz., mv. -deelen; verkl. -deeltje, mv. -tjes. Uit Deel (gedeelte) en het bijw. Onder (1ste art.) in verschillende opvattingen. Hd. untertheil.
1.  Onder ter aanduiding van eene plaatsing of ligging aan de benedenzijde (44, b, α). Het benedenste gedeelte van een voorwerp, inzonderheid van een lichaamsdeel; of wel, de onderste helft van het lichaam, het gedeelte onder de middel, in tegenstelling van het bovendeel, het gedeelte boven de middel.
De oude Hollanders noemden dit wel den nastelknoop, vooral als die in de onderdeelen viel, als wanneer zij iemand voor onvruchtbaar hielden,   BERKHEY, N.H. 5, 185 [1805].
Het voorhoofd, breed gewelfd, stak uit boven het onderdeel van het aangezicht,   SCHIMMEL 3, 20 a [1864].
Een die sijn onderdeel onmatig ging verhitten,
Moet niet kleyn-zeerig zijn, maer op de bleynen sitten.
  CATS 2, 336 b [1655].
Daer deelde 't spoor het scheel,
Gelijck een riem een' mann in op- en onder-deel,
In broeck en wambas scheidt.
  HUYGENS 1, 312 [1651].
+2.  Onder ter aanduiding van een lager zijn in orde of rang (44, b, β, 2°). Een der kleinere deelen, waarin een deel van een geheel gesplitst is, gedeelte van een hoofddeel.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1875.