Koppelingen:
Vorig artikel: ONGEWIEKT Volgend artikel: ONGEWILD
GTB Woordenboeken: MNW

ONGEWIJD

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: ongewijd

bnw. Van Gewijd met On-.
1.  Niet gewijd, in eigenlijken zin.
Ongewydt broodt,   HOOFT, N.H. 190 [1642].
Nocht bidden van gewyden en ongewyden, nocht eerwaardy van heylighdom hield hen enz.,   277.
Geen ongewijde vervordere zich zijnen voet in dit woudt te zetten,   VONDEL 5, 257 [1646].
Hij … Verbiedt … Het luistren elken ongewijde,   STARING 2, 25 [1827].
Wie weet, waar zijne beenderen nu in ongewijde aarde ergens rusten!   CONSC. 1, 372 b [ed. 1867].
2.  Onheilig, profaan.
Vaar voort, o Farao, met ongewyde handen, Dit heiligh lichaam … aan te randen,   HOOGVLIET, Abr. 14 [1727].
Laat d' ongewyde hoop op Febus wakkre Helden Vry smaalen (t.w. profanum vulgus),   SCHERMER 247 [c. 1710].
Hoe menig een gewyde, hoe menig een ongewyde Schryver ontleent zyne bespiegelingen niet van dat leevendmaakende Saizoen (de Lente),   BERKHEY, N.H. 3, 122 [1772].
Als wij de geschiedenissen nagaan, zoo die in de Bijbelsche Boeken, als die in de ongewijde bladeren ons beschreven zijn,   V. D. PALM, Red. 2, 117.
Zekere grenslijn tusschen gewijd en ongewijd,   BUSKEN HUET, Fant. 2, 161.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1891.