Koppelingen:
Vorig artikel: OPNIEUW Volgend artikel: OPNOEMING

OPNOEMEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: opnoemen

bedr. zw. ww. Uit Op, II, D, 3, c) en Noemen.
Van personen en zaken. Achtereenvolgens noemen, met name aanwijzen, een voor een vermelden, opsommen.
Bij deeze tot dus ver opgenoemde … uiterlyke gebreken van een Paard …, komt nog enz.,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 190 [1779].
Onweders, Aardbeevingen, en wat men meer zoude kunnen opnoemen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 105 [1785].
U de dingen op te noemen, die ik gaarne had, en die ik niet krijgen kan, dat zou dagwerk zijn,   V. LIMB. BROUWER 1, 346 b.
Anderen, te veel om ze allen op te noemen,   FRUIN, Tien J. 191 [1859].
Slechts enkele der opgenoemde werken zijn meesterstukken,   QUACK, Stud. 354 [1884].
—  Soms ook nagenoeg in denzelfden zin als Noemen, zonder dat bepaaldelijk aan eene opsomming wordt gedacht.
Als hij vraagt wie het was, noem dan maar een snijder op (noem maar den een of anderen persoon).   poëem WNT
— Zyn de Voorzienigheid en het toekomende leeven zoo gemaklyk te betoogen, dan doet gy zeer slegt, dat gy geene dier bewyzen opnoemt,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 34 [1784].
Hun (werd) het getal Weermannen opgenoemd, dat door elke der … Gouwen tot den oorlog … zou worden geleverd,   CONSC. 2, 13 b [ed. 1868].
Afl. Opnoeming, onopnoembaar (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1902.