Koppelingen:
Vorig artikel: PLANGEN Volgend artikel: PLANK II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

PLANKI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: plank

znw. vr., mv. -en. Daarnaast gewestelijk planke. Mnl. planke, vr., plank, m. Evenzoo mnd., ndd. planke, vr.; mhd. blanke, md. en hd. planke; ofri. planke, plonke, vr.; eng. plank. Ontleend uit laatlatijn of romaansch planca, ”plank”, misschien door bemiddeling van noordfransch planke. Verdere rom. vormen zijn fr. planche, prov. planca, plancha, piemonteesch pianca, sp. plancha, port. prancha. Het woord is misschien verwant met gr. πλξ, wat plat en vlak is.
+1.  Eigenlijk. Een in de lengte uit een boomstam gezaagd plat stuk hout, dat breeder is dan dik en langer dan breed.
+2.  In verschillende bijzondere toepassingen.
+3.  In zegsw. Liegen enz. door een (eiken) plank, sterk liegen enz.
Hy liecht door een eycken plancke,   MEYER, Spreuken 27.
Hij zaagt door drie planken heen, schertsend gezegd van iemand die hard snorkt    (HARREB. 2, 188 a [1861]).
4.  In vergelijkingen.
Dit papier is zoo vast als een plank,   HALMA.
Dit laken is als eene plank, zeer dik en stevig,   V. DALE.
Zoo stijf als een plank (b. v. gezegd van een doode),   CORN.-VERVL. 1970.
Die overjas (dat borstrok enz.) is zoo dik als een plank.   poëem WNT
+5.  Oneigenlijk. Bij overdracht van beteekenis.
Afl. Planken (zie 1ste en 2de art.), plankeren, planket, plankijs (zie die woorden). — Verder: Plankage, betimmering van planken (”Voorsalen en saletten breet en wijt: Solders, planckaige niet om exprimeren, Heel gelambrisseert en van tgewormte beurijt”, NUMAN, Striit d. Gem. 9 b)
planker, iemand die losplanken levert ten behoeve van schepen in een haven (V. MOOCK; V. DALE; KUIPERS); enz.
Beplanken, ontplanken, overplanken (zie die woorden).
Samenst., Samenst. afl. en Koppel. B. v. in de volgende verbindingen.
Plankdikte, de dikte waarop eene plank gezaagd is.
Gebruikelijke plankdikten zijn: 47 mM. enz.,   V.D. KLOES, Wagenm. 44 [1907].
Plankgeplof, als kinderspel, waarbij men een groote plank met geweld op den grond doet ploffen (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 7, 288 [1907]).
Plankhaak, (bij eene raderstoomboot) haak waarmede de planken of schoepen op de straalijzers van een roeiwiel worden bevestigd.
Plankijzer, (gewestelijk, in Vlaanderen) hoefijzer dat plat is en bijna geheel de zool van den hoef bedekt; fer à planche (TEIRL.).
Plankmager, zoo mager als een plank.
Pafdik, plankmager, krank, gezond,   NOLET DE BR., Zwart op wit, 69.
Plankmeter, iemand die planken meet; eertijds een ambtenaar die aangesteld was om het hout te meten.
Alle plancken ende anders, dat gemeeten wort, sal den geswooren planckmeeter gehouden zyn te meeten met de Weeselse houtmaate,   Utr. Placaatb. 3, 755 b [1713].
Planknagel, draadnagel van gesmeed ijzer, om planken vast te spijkeren.
Tienponders, planknagels of laschijzers (Brettnägel, Spundnägel, Dielennägel, clous à planche, planknails), plat of vierkant, met pyramidevormige koppen, platkoppen, dwarskoppen en duikers, lang nagenoeg 6 dm.,   KUYPER, Technol. 1, 501.
Plankplaat, (bij eene raderstoomboot) plaat onder de moeren der roeiwiel- of plankhaken.
Plankrij, door planken gevormde rij.
Zijn de planken niet zoo lang als de wand, dan moeten de voegen in de plankrijen steeds op een stijl komen te liggen en onderling zooveel mogelijk verspringen,   Handb. d. Pionierk. 1, 60.
Plankstrijkster, vrouw die het linnengoed enz. strijkt op eene plank, in tegenstelling met platstrijkster.
Plankwater, eertijds voor den waterspiegel, het waterpas, het bovenvlak van het water.
Den cooper (van een meersch) (wert) ghehouden … te gravene eene gracht, van aen den grooten wal tot in den cleenen noortwaerts, wydt boven twee roeden, ende diepe dry voeten beneden tplanckwatere,   V. D. HAEGHEN, Ter Walle 250 [1580].
Plankwerk, werk van planken gemaakt, dat wat uit planken getimmerd is of met planken beschoeid of versterkt.
Plankwerk, Getimmerd toestel van planken,   V. KEIRSBILCK, Timm. 329 [1898].
— Eygenaars … die … genoodzaakt zyn de gemelte tuynen en heyningen zo van rys als paalen plankwerken, alle jaaren tot veyligheyd harer erven en landen wederom te hermaken,   Utr. Placaatb. 3, 416 a [1680].
Paal en plankwerk is geslagen; De klei getrapt, de mest gestapeld laag op lagen; Een tweede dijk gehoopt op d'eersten (bij eene overstrooming),   TOLLENS 6, 105 [1828].
Plankwortel (zie de aanhaling).
Zeer algemeen komen plankwortels voor, zooals ze in den regel worden genoemd, platte uitwassen van den stam, die als reusachtige planken in den vorm van rechthoekige driehoeken aan de boomstammen zijn vastgegroeid met een van hun rechthoekzijden,   Encyclop v. N.-I.² 4, 526 a.
Kaneelhout. … Een hooge boom met plankwortels en lichtbruine schors. Het hout riekt naar kaneel,   Encyclop v. N. W.-I. 30 b.
— Met het mv. planken-; verg. ook Planken (1ste art.). B. v.:
Plankenbekleeding, bekleedsel van planken.
Het geraamte, waarop de planken-bekleeding moet worden bevestigd,   Handb. d. Pionierk. 1, 60.
Plankenbeschot, beschot van planken, en: houten afscheiding tusschen twee plaatsen (V. DALE; V. KEIRSBILCK, Timm. 328 [1898]).
Plankenbrug, houten brug of vonder.
Een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of wetering,   V. LENNEP, Rom. 5, 81 [1836].
Plankendak, dakbedekking van planken.
Het plankendak is voor kleine schuren en hokken en andere soortgelijke gebouwen van ondergeschikten of van tijdelijken aard in gebruik. De planken loopen meestal dwars over de dakregels, waarbij elke plank voor een gedeelte op de daarbeneden liggende wordt gelegd,   V. KEIRSBILCK, Timm. 329 [1898].
Plankenheining, planketsel (KUIPERS).
Plankenhol, van planken gebouwd scheepshol; ongewoon voor: schip, vaartuig.
Neptun, wilt nu de baren Doen liggen stil en vlack …, Want in een plancken-hol comt met ons over-varen Een costelick juweel …, Een maecht,   Z. Nacht. 1, 9.
Plankenhuis, 1°. eigenlijk: een van planken opgetrokken gebouw, een houten huis.
Hier was eerst maar een plankenhuis …, doch na dat ons volk bevorens op Oelat eenige tyd onder Kapitein W. gelegen had …, quam 'er eindelyk … een kleene Vesting,   VALENTIJN, O.-I. II, 1, 88 b [1724].
Zoo is 'er … een schoon nieuw planken-huis … gebouwt, in 't welke een heerlyke doorgaande Galdery is, nevens verscheide groote kamers, II,   1, 132 b.
2°. Figuurlijk voor: de houten doodkist.
Er kwam een kist …, Het plankenhuis, dat allen toeft; De doode werd er ingedragen,   TOLLENS 11, 11 [c. 1850].
Eens zal het plankenhuis uw woning, En 't linnenkleed uw tooisel zijn,   ARNTZENIUS, Nag. Ged. 2, 21 [voor 1823].
Plankenkadaver, gemeenzaam voor: een oud vervallen houten gebouw.
'n Schuur, vermolmd, groenig bemost, 'n planken-kadaver, 'n morsige ruïne,   FALKLAND 1, 87 [1896].
Plankenkast, kast met planken; in tegenstelling met een hangkast en een ladenkast.
Plankenlogie, houten logie.
Hy maakte ook een groote wooning, en een planken-Logie op 't strand van Rehoemoni,   VALENTIJN, O.-I. II, 2, 51 b [1724].
Plankenloods, 1°. loods van planken gebouwd; 2°. opslagplaats voor hout, houtloods (V. DALE).
Plankenmuur, muur, weeg van planken.
De schemering spookte al langs den plankenmuur, en spon zich webben in de hoeken, terwijl hij daar nog zat,   ROBBERS, A. de Boogh 274.
Plankenpad, een voetpad van planken, rustende op palen, als verkeersweg over lagen of moerassigen grond.
Er (lagen) in N.-Holl. vele zulke plankepadjes, die thans meerendeels door wegen en soms door rijwegen vervangen zijn. Aan de Zaan vindt men ze … nog als toegangsweg naar sommige in het veld staande molens,   BOEKENOOGEN 756.
Plankenschraag, schraag van planken gemaakt.
Tweebeenige Plankenschraag. … Wanneer nagenoeg uitsluitend planken ter beschikking staan, kan de tweebeenige schraag ook daarvan vervaardigd worden,   Handb. d. Pionierk. 2, 98.
Plankenschutsel, plankenbeschot (CORN.VERVL. 1970).
Plankenschutting, hetzelfde.
Een plankenvloer, een plankenschutting, enz. Un plancher; une clôture de planches,   HALMA.
Plankenschuur, 1°. schuur van planken gemaakt; 2°. schuur tot berging van planken (V. DALE).
Plankenstapel, hoop van opgestapelde planken.
Plankentil, vervoerbare brug van planken. Gewestelijk, b.v. in de Bommelerwaard (V. D. WATER 119).
Plankenvloer, vloer van planken, houten vloer.
Een plankenvloer …, mag niet met den grond in aanraking komen en moet deugdelijk geventileerd zijn. De planken zijn dik naar behoefte, en rusten op houten of ijzeren binten,   ZWIERS 2, 215 b [1920].
Vóór de opening der vergadering was het hol-rumoerig in de zaal, werd de vuile slijkige plankenvloer gedurig hard bekrast,   ROBBERS, Gel. Fam. 87 [1909].
Plankenweg, verbetering van een moerassig terrein met behulp van planken, ten behoeve van het militair verkeer (ZWIERS 2, 215 b [1920]).
(Een) plankenweg … bestaat uit planken loodrecht op de lengterichting van den weg en onderling door ijzerdraden vereenigd,   ZWIERS 2, 215 b [1920].
Plankenwoning, 1°. eigenlijk: van planken gebouwd woonhuis.
Een quart myls verder … is het dorp Kilang, alwaar den Koning een fraje planken-wooning heeft,   VALENTIJN, O.-I. II, 1, 119 a [1724].
2°. Figuurlijk voor: de houten doodkist.
Eenmaal wordt ons graf gedolven, en liggen wij daar neder in onze enge plankenwoning,   BORGER, Leerr. 1, 274.
Plankenzager, iemand die planken zaagt.
Ik vernam van de alhier bescheidene Europeese Opsigter dat de Chineesen plankezagers, die hier hun verblijf houden, jaarlijks aan Zijn HoogEdelheid betaalen 105 Rds,   bij DE HAAN, Priangan 2, 614 [1786].
Plankenzagerij, 1°. het zagen van planken; 2°. de inrichting waar dit geschiedt, houtzagerij.
Ik hebbe ook de plankezagerije opgenomen. Dezelve is in een houte loots met arring gedekt in een in de grond gegrave kuil …, rontom beschoeid met planken; over dat gat leggen in de lengte twee en overdwars vier dikke … balken, waarover de balken, die men tot planken zagen wil, gelegd, door een Javaan boven en een onder gezaagd werden,   bij DE HAAN, Priangan 2, 617 [1786].
De plankenzagerij te Tjisaroewa,   DE HAAN, Priangan 4, 598.
— In de bet. 2, a, β). B. v.: Plankenkind, tooneelspelerskind, of kind dat vroeg op het tooneel optreedt (Holl. Revue 1, 421 a).
Plankenknecht, tooneelknecht.
Dan maar planken-knecht aan 't Rembrandt-theater,   QUERIDO, Jordaan 160.
Plankenkoorts, tooneelkoorts, zenuwachtige overspanning van een tooneelspeler, als hij optreedt of optreden moet (V. DALE).
Plankenvrees, zenuwachtige angst van den tooneelspeler voor zijn optreden.
— Als tweede lid, in verschillende opvattingen. Baardplank (zie Dl. II, kol. 831)
balkplank (zie Dl. II kol. 926; en verg. nog: ”Madiers. Balkplanken. Ce sont de grosses planches épaisses de cinq ou six pouces”, AUBIN, Dict. de Mar. 531 [1702]; ”Balkplanken heeten (bij de Ned. Marine) stukken van 9 tot 4 cM. dikte”, V.D. KLOES, Bouwm. 4, 173 [1925])
beddeplank (zie Dl. II, kol. 1130)
beddingplank (zie Dl. II, kol. 1132, en verg. COOL, Leerb. d. Pionierk. 1, 16)
bekleedingsplank (”De onderste bekleedingsplank eener beschoeijing moet altijd geheel en in den vasten bodem worden gedreven”, PASTEUR-NOOT 1, 93)
bodemplank (zie Dl. III, kol. 43)
boegplank (zie Dl. III, kol. 73)
boeiplank (”Bord, Bordage. Boei-plank, Boei-gang, Gang. Ce sont les planches qu'on emploie à border un vaisseau”, AUBIN, Dict. de Mar. 103 [1702]; zie ook AUBIN, Dict. de Mar. 635 [1702])
boekenplank (zie Dl. III, kol. 118)
boordplank (zie Dl. III, kol. 472)
borstplank (zie Dl. III, kol. 619)
botplank, springplank (”De wipplank, botplank, helpt tot vermeerdering der drijfkracht”, CUPÉRUS, Turnvakt. 192)
bovenplank (zie Dl. III, kol. 902)
broodplank (zie Dl. III, kol. 1572)
brugplank (in Taxandria 15, 26; a°. 1776)
damplank (zie Dl. III, kol. 2266, en verg. nog: ”Daer syn aen den Bommel eenige (t.w. eenige hoofden) geheyt van damplancken van 3 duym dick en ingevoucht, soodat dicht vallen als onder een sluys; die houden het wel en beletten dat het water daer geen cracht tusschen door doen en can, gelyck doet als het van palen geheyt is”, V.D. GOES, Briefw. 2, 57 [1669])
dekplank (”De Stutten vande Gaaldery, die … met d'onder-Einde op de Dekplank … gehegt werden”, V. YK, Scheepsb. 102 [1697])
dosseerplank (zie Dl. III, kol. 3168)
drilplank (zie Dl. III, kol. 3369)
drukplank, aan een weefgetouw (”Ten einde die splijting van opspansel of ketting voort te brengen, waarbij het achter-vak door het vóórvak heen naar voren gebracht wordt, is er een afzonderlijk toestel voorhanden, hetwelk in zijn geheel den naam van drukbord of drukplank … draagt”, KUYPER, Technol. 2, 581)
duimsplank, plank van een duim dik (”'t Leven op zee is geen vertelsel. — Door 'n dùimsplankie zijn ze van de eeuwigheid gescheijen”, HEYERMANS, Op Hoop van Zegen, 100)
dwarsplank (zie Dl. III, kol. 3723, en verg. nog COOL, Leerb. d. Pionierk. 1, 16)
gladplank, smalle plank om het waschgoed glad te strijken (zie de aanhaling bij mangelplank)
gootplank (zie Dl. V, kol. 426)
halsplank (zie Dl. V, kol. 1694)
harnasplank (zie Dl. V, kol. 2248)
huidplank (zie Dl. VI, kol. 1215)
kaasplank (zie Dl. VII, kol. 742)
kaatsplank (zie Dl. VII, kol. 777)
kapplank (”Door de kap, welke van boven gesloten wordt door een schuif (kapschuif) en aan den voorkant door planken (kapplanken), komt men langs een trap in 't logies, 't verblijf van het scheepsvolk”, BLY, Zeilvischsl. 36)
kastplank (zie Dl. VII, kol. 1743)
kegelplank (zie Dl. VII, kol. 2036, en verg. Kegelspel 29)
kielplank (”In de zijvlakken van de kiel is een gleuf langs het midden ingehakt, de kielsponning, waarin de kielplank of zandstrook (de onderste plank van den buitenwand) sluit”, BLY, Zeilvischsl. 28)
knieplank (zie ald.)
korreplank: om het kornet open te houden (”Het kornet der stoomvischsloepen heeft geen boom meer, maar is voorzien van houten borden (korreplanken, Fr. panneaux) van 3 meter lang op 11/2 meter breed en 0 10 dik, die aan beide zijden der opening zijn aangebracht en in zee op hun kant komen te staan, terwijl de onderzijde met een ijzeren schoen is verzwaard”, BLY, Zeilvischsl. 101)
krommerplank, plank van kromhout (”Verder heeft men (in den scheepsbouw) krommerplaten en krommerplanken. … De krommerplaten en planken hebben een gelijkmatig beloop (minste bocht per M. 5 cM.), en minstens 3. 40 M. lengte”, V.D. KLOES, Bouwm. 4, 174 [1925])
kruiplank (zie Dl. VIII, kol. 400)
krullenplank (zie Dl. VIII, kol. 480)
kuipplank (zie Dl. VIII, kol. 514)
loopplank (zie Dl. VIII, kol. 2895)
losplank, loopplank voor het lossen van schepen
mangelplank, smalle plank bestemd om linnengoed met de hand te mangelen (”Een glad- en mangelplank met de namen H. S. en N. d. J. 1740”, Catal. Tent. Zaanl. Oudh. 1874, n°. 578)
mouwplank (zie Dl. IX, kol. 1188, en verg. nog: ”Het noodzakelijkst zijn (voor het strijken) een groot strijkkussen, een mouwkussen, een mouwenplank en een smalle strijkplank”, V. WESSEM, Kostuumn. 293 [1908])
neusplank (zie Dl. IX, kol. 1903)
oozingplank, plank langs de oozing, die de afsluiting vormt van dak en muur (BOEKENOOGEN 724)
overloopsplank (zie Dl. XI, kol. 1866)
pasplank (zie Dl. XII, kol. 644)
persplank (zie Dl. XII, kol. 1291)
reddingsplank (zie ald.)
rietplank (zie Dl. XIII, kol. 141)
rolplank (zie Dl. XIII, kol. 960)
rolhoutplank (zie Dl. XIII, kol. 941)
scheerplank (”Ter plaatse daar deze Stutten haare uitvallende Bogt verliesen, werd haar een Scheer-plank, of ook wel gezeid een Slinger-lijst, wegens de verscheide Swieren en Bogten die sy heeft, toegevoegt”, V. YK, Scheepsb. 102 [1697])
schietplank (zie Dl. XIV, kol. 591)
schieterplank (”De weefspoelen (van het lintmakersgetouw) zijn snelschietspoelen, doch hebben geene looprollen, maar schuiven heen en weer in de sleuf eener aan de lade vóór de weefkammen … aangebrachte … schieterplank”, KUYPER, Technol. 2, 540)
schotplank (zie Dl. XIV, kol. 923)
schuifplank (zie Dl. XIV, kol. 1186)
schutplank (zie Dl. XIV, kol. 1242)
schuttingplank (zie Dl. XIV, kol. 1254)
slijpplank (zie ald.)
slingerplank (”De Slingerplank, die twee Duimen dik was, stond in 't midden met de bovenkant 36 Duimen boven de onderste Dekplank, en de Slinger-lijst die op dese Slingerplank gevoegd, en vastgemaakt was, quam agter 12 Duimen buiten de Deelen uit te steeken”, V. YK, Scheepsb. 140 [1697])
springplank, starplank, strijkplank, stuwplank, treeplank (zie ald. of bij het eerste lid)
verdubbelplank (”Alhier (is) van Siam wel aengecomen het jacht Texel … met een kargasoen … bestaende in 1800: picol sapanhout. 20: lasten rijs. 50: lasten padij. 46: jatij verdubbelplancken”, Daghreg. Bat. 2, 230 [1634])
verzendingsplank, vloerplank, voetplank, vormplank, vullingplank, windplank, wipplank, zesplank, zetplank, zij(de)plank, zwingelplank (zie ald. of bij het eerste lid); enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1927.