Koppelingen:
Vorig artikel: RONDFLUISTEREN Volgend artikel: RONDGANG

RONDGAAN

Woordsoort: ww.(intr.,st.)

Modern lemma: rondgaan

onz. st. ww. Uit Rond (III), III, B) en Gaan.
+1.  Rond (III), III, B, 1). In de rondte, in een cirkel, in een kring gaan of zich bewegen, weder op het punt van uitgang terugkomende.
+2.  Rond (III), III, B, 2). Met een bepaling van plaats in den 4den nv. Gaan, zich bewegen in alle richtingen binnen de aangewezen ruimte, die in alle richtingen doorkruisen, gaan in alle richtingen door.
Zy … gaan hun dorp rond zich vertoonen,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 4 a [1726].
Hij is de velden … rondgegaan,   CONSC. 1, 92 b [ed. 1867].
+3.  Rond (III), III, B, 3). Her- en derwaarts gaan, zich in verschillende richtingen bewegen.
+4.  Rond (III), III, B, 5). Naar de rij af in zekeren kring gaan, beurtelings komen bij elk der personen of voorwerpen die tot den kring behooren.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.