Koppelingen:
Vorig artikel: ROTTEN I Volgend artikel: ROTTERDAM
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

ROTTENII

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: rotten

onz. en bedr. zw. ww. Mnl. rotten; mnd. rotten. Daarnaast mnl. roten; mnd. roten, os. rotôn; ohd. rozzên, mhd. rozzen; ags. rotian, eng. to rot; ook on. rotna. Met ”ablaut” staande naast Roten (I).
+I.  Onz.
+II.  Bedr.
Afl. Rotte (I), rotterij (II), rotting (II)
onrottelijk
verrotten (zie die woorden). — Verder: (ongewoon) rotsel (”Driete … 't geen mede rotsel of drek is”, BILD., N. Versch. 4, 55)
rotteloos (”Daar wort een lichaam, dat rotting onderworpen is, in d'aarde gesmeten, en het zal rotteloos opstaan”, DE BRUNE, Jok en E. 100 [1644])
rottenis (”Zijn lichaam (t.w. van Mozes): het welk … heel, onbederffelik, en zonder eenige rottenis ter weerelt bleef”, DE BRUNE, Jok en E. 158 [1644] (zie ook DE BRUNE, Jok en E. 210 [1644]); ”(Diertjes) die uit de rottenis van dieren, kruiden, houten, en andere dingen gelijk als mest spruiten”, DE BRUNE, Wetst. 2, 109 [c. 1648]).
— In de bet. II, 2, a). Ongerot (”Ongerot goed”, KUYPER, Technol. 2, 600).
Samenst. In de bet. I, 5). Rotkelder, bij een inrichting tot biologische reiniging van afvalwater bij een stoomzuivelfabriek (”De … bak, waarin de rotting optreedt, ook wel rotkelder genoemd, heeft eene rechthoekige dwarsdoorsnede”, Versl. Rijkslandbouwproefst. 17, 9).
— In de bet. II, 1). Rotkuil, rootkuil (KUYPER, Technol. 2, 303), rotput, rootput (SCHUERM. [1865-1870]).
— In de bet. II, 2, a). Rotbak, steenen bak waarin men de lompen rot (V. DALE)
rotkuip, kuip waarin men de lompen rot (Handw. 9, 20 [1792]; KUYPER, Technol. 2, 600).
— Als tweede lid. Afrotten, inrotten, samenrotten, wegrotten (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1921.