Koppelingen:
Vorig artikel: SPAARSEN Volgend artikel: SPAAT
GTB Woordenboeken: MNW

SPAARZAAM

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: spaarzaam

bnw. en bijw. Van Sparen met -zaam.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. Spaarzaamheid (”De spaerzaemheyd komt te laet, als de boter tot den bodem is”, DE BRUNE, Bank. 1, 191 [1657]; ”Gheen beter rent, Als spaerzaemheyd, en is bekent”, DE BRUNE, Spreeckw. 58 [1636]; ”Die waarheid …, dat het de grootste Spaarzaamheid is geen nuttelooze dingen te koopen”, CHOMEL, Verv. 6084 b [1793]; ”Te weten wanneer mildheid betaamt, wanneer spaarzaamheid pligt is”, GEEL 257 [1840]; ”Of meent gij, dat van twintig jaren arbeid en spaarzaamheid niets overblijft?” CONSC. 1, 76 b [ed. 1867]; ”Ik (werd), meer dan ik zou gewenscht hebben, tot spaarzaamheid in het geven van toelichting gedwongen”, GROEN V. PR., Adv. 1849, VII; ”De schilderachtigste beelden en treffendste uitdrukkingen, zonder oordeel, afwisseling, bescheidenheid en spaarzaamheid altijd weer gebezigd, beginnen met ons niet meer te treffen”, GORTER, Lett. Stud. 2, 286 [1869])
spaarzamelijk, ongewoon (”Die spaersamelick zaeyt, sal oock spaersamelick maeijen”, Statenb., 2 Cor. 9, 6 [ed. 1688]; ”Waar zijn evangelie verkondigd wordt kariglijk, spaarzamelijk …, daar wordt het niet evangelisch verkondigd”, BEETS, St. Uren 9, 36 [1883]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1933.