Koppelingen:
Vorig artikel: SPANADER Volgend artikel: SPANDIENST

SPANDEEREN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: spenderen

SPENDEEREN —, bedr. zw. ww. Ontleend aan ital. spendere. De a is waarschijnlijk te verklaren uit beschouwing als een Fransch woord.
1.  Besteden, ten koste leggen.
(Ik) zal … nog eens een grosje postpapier spandeeren,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 21 [1785].
Aan zijn tuin heeft hij duizenden gespandeerd.   poëem WNT
2.  Opofferen. In dit gebruik thans alleen gewestelijk.
Die Coninginne hads pyne seer groot, Mit dat sy haer selfs, wapen, moeste spanderen, Al eer hy vrucht was uyt haer schoot,   VALCOOCH, Chron. v. d. Sype 32  (zie ook N. Ned. Taalmag. 2, 234, voor Z.-Bevel.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1933.