Koppelingen:
Vorig artikel: TROEBEL I Volgend artikel: TROEBEL III
Etymologie: EWA, EWN

TROEBELII

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: troebel

TROUBEL, TROUBLE —, bnw. en bijw. Uit fr. trouble. De oudste aanh. is DE CASTELEIN, Bal. O iiij v° [c. 1523] in den vorm trouble, die voor het laatst is aangetroffen bij V. HARDENBROEK [1781]. Troubel werd voor het eerst aangetroffen bij V. VAERNEWIJCK [1567] en voor het laatst in WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 63 [1784]. Troebel komt voor het eerst voor bij BINNART [1659]. In KIL., App. [1588] en bij VALENTIJN [1724] is ook troeble aangetroffen; in SALOMONS, Uurw. 290 [1667] en in het limb. vindt men den vorm trobbel (verg. TROEBEL (I)); in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem l, 103 [2de h. 17de e.] wordt trobel aangetroffen. Zie ook TURBEL (II) en Trubbel (II).
+1.  Met betr. tot een tijdperk of periode. Onrustig, rumoerig, woelig. Meestal in de verb. (een) troebele tijd(en).
Schamel ghezellen ghijnghen ledich met grooter menichten, mits den troublen tijt,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 195 [1566].
Gheduerende de voirlede troublen tijdt,   Onderz. Middelb. Ber. 210 [1567].
Hoe dat zij suppliante voor deze laetste trouble jaren geweest is omtrent 4 jaar ongeprofesside conventuale int Baghijnen clooster tot Schagen,   in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 13, 145 [1580].
In de trobele tijt als een jegelick vervaert was om de priesters te ontfangen,   in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem l, 103 [2de h. 17de e.].
Mits de registers ende papieren der selver (van zeker gilde) ghedemanueert ziin ofte in de troubele tiiden door de dekens achter gehouden ziin,   in WEALE, Égl. de Dixm. 2, 89 [1758].
Dat er een raid gedurende de trouble tijden wierde benoemt,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 3, 87 [1781].
Gewetenlooze schurken, … die in troebele dagen de handen ruim krijgen,   GORTER, Lett. Stud. 2, 93 [1867].
De vriend … van alle Delvenaren … in die troebele tijden,   Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 20, 79 [1895].
Nen troebelen tijd,   LIEV.-COOPM. 1474 b [1955].
+2.  Van vloeistoffen. Onzuiver, niet helder, drabbig, geroerd. Ook in beeldspraak.
+3.  Van andere zaken. Niet helder, ondoorschijnend, ondoorzichtig, mat, wazig. Ook in beeldspraak.
Een Arabisch dichtstuk gelijkt naar een snoer paarlen, doch waar groote en kleine, schitterende en doffe, zuivere en troebele, als bij toeval, naast elkander zijn geregen,   V. D. PALM, Redev. 2, 38 [± 1810].
In het woud was alleen nog hier en daar een troebel groen licht, als diep onder water,   VERMEYLEN, Wand. J. 67 [1906].
Troebel ijs,   Koeltechn. Wdl. (C.C.T. 5037), blz. 18 [1954].
Zo zag ik het in die dagen door het troebele waas van mijn twijfel en genegenheid,   VESTDIJK, Glinst. Pantser² 199 [1956].
+4.  Fig. Onzuiver door vermenging van motieven, elementen of factoren, onklaar, onduidelijk, duister.
Eene demonstratie, waarbij hij zeer duidelijke beginselen op advocatenmanier door eene ongevraagde kritiek troebel trachtte te maken,   GORTER, Lett. Stud. 2, 136 [1869].
De troebele kunst dezer nieuwste tijden,   DIEPENBROCK, in N. Gids 1895, 2, 669.
Eens zal de troeble menschengeest als water Frisch zijn,   V. COLLEM, V. Stad en Land 55 [1906].
Intuïtief voelde hij haar eenvoudig aanvaarden van zuiverder gehalte dan zijn troebel medelijden,   V. NES-UILKENS, Ingrid 24 [1928].
De geschiedenis kan en wil niet de troebele verleden werkelijkheid reproduceeren,   HUIZINGA 7, 70 [1929].
Schrijvers vol troebele sentimenten en nog troebeler ressentimenten,   G. BROM, Rembrandt i. d. Lit. 30 [1936].
Nu kon het wel eens gebeuren dat hij, door zijn eigen woorden onwaar te maken, alle troebele onrust weer tot leven wekte,   MULISCH, Diamant 20 [1954].
‘Modern levensgevoel’ is een troebel woord,   Tijd en Taak 20 Jan. 1962, 4 c.
+5.  Zwoel, wellustig, sensueel, onrein, duister.
(De dansende vrouw) zag waarachtig blauw van inspanning; zoo'n troebele snoes!   QUERIDO, Jordaan 1, 343 [1912].
Het nieuwe evangelie … kleurt zich van den aanvang met haat en hartstocht, met persoonlijke aspiraties en tegenstellingen, met troebele begeerten, met modder en slijk der verpauperde achterbuurten,   LAST, Partij Remise 19 [1933].
De troebele atmosfeer der groote steden,   HUIZINGA, Tien Gl. Wijn 91 [1942].
Dit troebel sensueel verlangen, hetwelk … als ”lage drift” bestempeld wordt,   BRULEZ, Pakt 28 [1950].
Zijn verzen (die van Vondel) (worden), ook wanneer hij zeer intieme menselijke verhoudingen beschrijft, nooit zwoel en troebel,   C. W. DE GROOT, Jan Steen 19 [1952].
Afl. Vertroebelen.
Troebelachtig, min of meer troebel in de bet. 2).
  WEIL. [1810].
Troebelachtig. Van bier, wijn, zeer weinig troebel, en alleen merkbaar met den drank in een glas tegen het licht te houden,   QUICKE, Brouwersv. [1926].
— Het water dezer leiding is troebelachtig,   KOENEN [1897].
Hierbij: troebelachtigheid (BOMHOFF [1835])).
Troebelen, troebelheid (zie die woorden).
Troebelig. 1°. Dik, ondoorzichtig.
  ENDEPOLS [1955].
Troebelig kwabberde de mist die avond,   SMEDING, Stil St. 1, 161 [1920].
Hierbij: troebeligheid.
  TEIRL. [1922].
  ENDEPOLS [1955].
— Het (is) noodig de eijeren (van zekere visschen) gedurig na te zien en de aangestokene of bedorvene, die zich door eene witte troebeligheid onderscheiden, zoo spoedig mogelijk te verwijderen,   Boek d. Uitv. 3, 93 [1867].
De troebelg'hied van diene wijn es zoo groot, da' g' er niet deur en keunt kijken,   TEIRL, 3, 172 [1922].
2°. (Gewest.) Naar.
  Aant. [Z.-Bev., 2de h. 19de e.].
Troebelte (gewest.).
  TEIRL. [1922].
Samenst. afl. en kopp.
Troebelkleurig (2).
Het is my aangetoont … op welk een wyze klaar, helder en brandkleurig gemaakt wierd de duistere en troebelkleurige Barnsteen, dewelke als met een wolkachtige stof … vermengt was,   V. RANOUW, Kab. 3, 495 [1720].
Troebelworden (2).
Het troebelworden des kalkwaters, bij deeze proeven, koomt van het vrij geworden Phosphorzuur voord,   KASTELEIJN, Chem. Oef. 1, 430 [1793].
Ik stel mij het ontstaan van het koolstofzuurgas, bij het ontploffen der koolstofhoudende gassoorten, omtrent zoo voor, als of men in water, waarin zeer weinig kalk is opgelost, eene oplossing van zuringzuur giet. Er volgt een algemeen ligt troebelworden van het vocht op,   Nat. Verh. Bat. Maatsch. Wet. 8, 201 [1817].
Troebelwording.
Hij (beproefde) de doorgezijgde vloeistoffe met eene oplossing van loogzout, en 'er werdt geen de minste troebelwording ontdekt,   KASTELEIJN, Chem. Oef. 1, 197 [1793].
Wanneer men hierbij (bij zeker mengsel) alcohol voegt, geschiedt er geene troebelwording, noch nederploffing,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 105 [1831].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1963.