Koppelingen:
Vorig artikel: TROELIE, TROELJE Volgend artikel: TROEPEL
Etymologie: EWA, EWN
Gewestelijke variatie: TNZN

TROEP

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: troep

TROEPE, TROUP, TROUP(P)E —, znw. m., soms vr. (b.v. bij HOOFT, N.H. 289 [1642]; DESROCHES; BILD., Geslachtl.; GOEMANS (bij den laatste slechts in bet. 2, b, β), mv. -(e)n en -(e)s; de vorm troupes handhaaft zich tot in de 1ste helft van de 19de e., terwijl troeps uitsluitend aangetroffen is bij DE HAAN, Priangan, in de bet. 2, b, ζ). In het mnl. ”niet onbekend” geacht door VERDAM op grond van het voorkomen van troepmale (zie Mnl. W. s.v. Trop). Uit fr. troupe (12de e.), evenals hd. truppe. Verg. eng. troop, it. truppa en overigens het art. TROP. De indruk wordt gewekt dat troep den ouderen vorm trop in de ”cultuurtaal” verdrongen heeft, waaraan de wisseling /oe (in motten/moeten en derg.), geldende resp. als plat en beschaafd, niet vreemd geweest zal zijn (zie b.v. voor de wisseling trop/troep bij de HAAN, Priangan 3, 614, en voor de vormen troppeling/troepeling onder TROEPELEN). Troep schijnt bepaaldelijk in de bet. 1 en 2) in de alg. taal aan het verouderen te zijn, wsch. onder invloed van de betr. jonge pejoratieve bet. 5).
+I.  Een quantitatief willekeurig doch qualitatief min of meer bepaald aantal levende wezens.
Troepe. Turba,   KIL. 864 b [1599].
Troup, … hoop, bende,   MEYER, Woordenschat 248 [1658].
Troep, troepe, hoop onder een. Turba … Confusè mista turba,   BINNART [1659].
Troep, bende,   GIRON [1710].
Troep …. Een hoop van bijeen zijnde levende wezens,   WEIL. [1810].
— Eene heele menigte van zwierig smeerige Pronkers, die hun troup van Menschen, Honden en Aapen, en Beeren, en Olyfanten, voorby leidden, en voor de huizen, alwaar men zulks begeerde, kunsten lieten doen,   WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 283 [1787].
+II.  Niet met betr. tot levende wezens.
Afl. Troepen (zie ald., het 1ste art.).
Samenst., samenst. afl. en kopp. Als tweede lid b.v. in: aanvalstroep(en), aanvoertroep(en), aanvullingstroep(en), afvoertroep(en), bezettingstroep(en), bondstroep(en), burentroep(en), commandotroep(en), dekkingstroep(en), examineertroep(en), flanktroep(en), genietroep(en), grenstroep(en), hoofdtroep(en), hulptroep(en), huurtroep(en), jodentroep(en), keurtroep(en), koffietroeps, landingstroep(en), legerkorpstroep(en), linietroep(en), luchtvaarttroep(en), neventroep(en), ondersteuningstroep(en), paratroep(en), parachutetroep(en), politietroep(en), regeeringstroep(en), reservetroep(en), stoottroep(en), tooneeltroep(en), veiligheidstroep(en), voortroep(en), weezentroepje, wegwerkerstroep(en), wintertroep(en), zeetroep(en), zijtroep(en), zwijnentroep(en).
Als eerste lid in:
Troepenaantal (1, a of f).
't Heeft … den schijn, als ware bij een grooter troepen-aantal, met name van artillerie, de uitvoering vollediger tot stand te brengen geweest,   Milit. Spect. 1850, 411 a.
Troepenaanvoerder (1, a of f).
Ofschoon de kennis dezer regels voor den troepenaanvoerder, in de eerste plaats noodzakelijk is,   DE VLAMING, Leiddr. Tact. 2 [1883].
De vorming van den aanstaanden hoogeren troepenaanvoerder en die van den toekomstigen Stafofficier zijn niet volkomen gelijk te stellen,   Milit. Spect. 1915, 104.
Troepenafdeeling (zie ald.).
Troepenaanwerving (1, a of f); verg. Troepenwerving.
Over de troepenaanwervingen voor Spanje in Duitschland zie men F.R.,   V. ROOSBROECK achter V. HAECHT, Kron. 1, 259 [1929].
Troepenarsenaal (zie Dl. II, 698).
Troepenbarak (1, f).
  KUIPERS [1901].
— Een voorbeeld van een troepenbarak, bestemd voor meer langdurige legering,   Voorschr. Inr. Stell., Aanh. C 2 (1934), 88.
Troepenbewaking (1, a of f).
De Generaal schrijft de beëindiging van de opbrekerij toe aan het op zijn last toegepast doch door mij bestreden middel, om de bevolking zelf bij nacht de baan te laten bewaken …. Ik heb dien maatregel in mijn journaal flink uitgekleed …, want die maatregel bezorgt meer last dan nut, omdat troepen-bewaking toch noodig blijft,   R.G.P., Kl. S. 33, 290 [1903].
Troepenbeweging (1, a of f).
De berichten … van hetgeen hij van troepenbewegingen in 's vijands land vernam,   BOSSCHA, Held.² 1, 259 [1834].
Het (was) moeielijk …, om een zoo groote troepenbeweging geheim te houden,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 1, 87 [1889].
Zelfs tot de eerste maanden van 1901 werd zijne rust (die van den pretendent van Atjeh) niet geheel door ons verstoord. Wel moest hij nu en dan, in verband met onze troepenbewegingen, verhuizen,   in R.G.P., Kl. S. 33, 255 [1903].
Waarnemers meldden troepenbewegingen,   KOENEN 1047 b [1951].
Troepbewustzijn (3, a).
Dezelfde nood, dezelfde angst, kweekt … een nieuw saamhorigheidsgevoel, ook al is het vaak niet veel meer dan het troepbewustzijn, dat de wolven ook hebben,   V. RANDWIJK in Onderh. en Verzet 2, 657 [1950].
Troepenbureau.
(Het nieuwe ministerie van rijksverdediging) neemt de commandomacht over tot nog toe bestaande afzonderlijke contingenten der Duitsche bondstaten en wordt gesplitst in een troepenbureau voor het leger en een marinebureau,   Mil. Spect. 88, 674 [1919].
Troepencolonne (1, a, e of f).
Wanneer een troepen- en een treincolonne elkander kruisen, dan gaat in den regel bij frontmarschen de troepencolonne, bij terugmarschen de trein voor,   DE VLAMING, Tact. 2, 18 [1885].
Troepencommandant (1, a of f).
De bagageen groote trein … wachten hier (op 2 km van het gevechtsveld) de bevelen van den troepencommandant af,   DE VLAMING, Tact. 2, 22 [1885].
De troepencommandant is … gehouden zich daarbij (bij het vervoer) te gedragen naar de zaakkundige aanwijzingen van den commandant van den vaartuigendienst,   Voorschr. Veldd. I (1934), 45.
In plaatsen, waar tijdelijk troepen onder commando van een officier verblijven, neemt de hoogst of oudst in rang zijnde troepencommandant het garnizoenscommando waar,   Reglem. Garnizoensd. 1936, 2.
Troepencommando (1, a of f), het bevel voeren over (een afdeeling) troepen.
  BOUWENSCH, Mil. Wdb. 399 [1906].
— Of de Stafofficier zijn loopbaan eindigt in den Generalen Staf, in een hooger troepencommando of bij het Militair Onderwijs, steeds moet hij met dat wapen (de infanterie) kunnen omgaan,   Milit. Spect. 1915, 113.
Troepenconcentratie (1, a of f).
  KOENEN [1951].
Troepenconcentratie, waargenomen —, rassemblement détecté,   KOK, Ned.-Fr. Milit. Wdb. [1961].
— Dat deze troepenconcentraties slechts een verdedigend karakter dragen,   Milit. Spect. 88, 342 [1919].
Troepencontingent (1, a of f), afdeling van een leger.
2 October landde Generaal H. met zijn Staf en een deel van den Franschen Staf van het Expeditie-Korps der Dardanellen in Saloniki; de daarop volgende dagen landden verschillende troepencontingenten,   Milit. Spect. 1915, 775.
Een Portugeesch troepen-contingent (had) daar (in zeker omstreden gebied) … onder de inboorlingen huis gehouden,   VOGT, Radiolev. 88 [1933].
Troependeel (1, a of f), onderdeel, afdeeling van een strijdmacht.
Bij den onder 1b genoemden weg (requisitie) wordt de verpleging uitgeoefend, door aan ieder troependeel een zeker rayon aan te wijzen, waarbinnen het de levensmiddelen zelf moest opzoeken en weghalen,   Milit. Spect. 1875, 416.
Een bewijs … uitgaande van het troependeel waar de oudere broeder in dienst was,   Biekorf 38, 374 [1932].
De z.g. compagnies-karren van een te velde opereerend troependeel,   VOGT, Radiolev. 10 [1933].
Troependetacheering (1, a of f), het tijdelijk uit het troepenverband losmaken en elders opstellen of legeren van een aantal militairen.
Diversiën zijn troependetacheeringen naar een verwijderd gedeelte van het oorlogstooneel,   DE VLAMING, Leiddr. Tact. 4 [1883].
Demonstratiën zijn troependetacheeringen of andere handelingen tot misleiding der tegenpartij, ten einde de operatiën van het eigen leger gemakkelijker te maken,   1, 11 [1888].
Troependetachement (1, a of f), afdeeling troepen ontstaan door een troependetacheering.
Wordt het hoofdkwartier van het Veldleger of het stafkwartier van een divisiegroep in een afzonderlijk treinstel vervoerd, dan treedt de commandant van het troependetachement op als treincommandant,   Voorschr. Veldd. I (1934), 68.
Troependienst (1, a of f), het metterdaad commandeeren van — of bevelvoeren over de manschappen van een leger of legeronderdeel, in tegenst. tot het uitoefenen der meer bestuurlijke functies.
(Een kapitein van den Generalen Staf) is het, die van den troependienst min of meer vreemd is geworden,   Milit. Spect. 1900, 880.
Het zou zeker aanbeveling verdienen om de goede krachten uit ons leger op jeugdiger leeftijd naar voren te brengen, eer zij in jarenlangen troependienst … murw zijn gemaakt,   a. w. 1915, 109.
Voor de luitenant-kolonel betekent dit (t.w. zekere straf) dat hij voortaan een bureaufunctie krijgt; de majoor blijft waarschijnlijk in troependienst,   Parool 30 Mei 1963.
Troepeneenheid (1, a of f).
Het doen van proefnemingen bij verschillende Russische technische troepen-eenheden op het door die instructie behandelde gebied,   Milit. Spect. 1915, 189.
Korps … Nederl. leger: zelfst. troepeneenheid die te klein is om een regiment te heten,   V. DALE 1021 b [1961].
Troepenelement (1, f), afdeeling, onderdeel van een strijdmacht.
Aangezien hier … bij eene zoo eenvoudige verdediging van weinige naauwe toegangen en 't bewaken van inundatiekommen, een nieuw en krachtig troepenelement in onze schutterijen gevonden wordt,   Milit. Spect. 1850, 380.
Troepengedeelten, mv. (1, a of f).
Magelang was … ten noorden, westen en zuiden door vooruitgeschoven troepengedeelten gedekt,   Milit. Spect. 1850, 300 b.
Troepgenoot (1, a, β).
Voordat wij er in (in een troeplokaal) trokken, moest het … uitgemest … worden. Wie anders dan de proleten uit de troep waren als het ware van nature voorbeschikt om dit corvee op te knappen? … Onze troepgenoten hebben het nooit vergeten, dat wij het waren, die de mestvaalt keerden,   DEKKER, Amst. bij Gasl. 49 [1949].
Troepsgewijze (zie ald.).
Troepshoofd, bestuurder van een troep in de onder 2, b, ζ) genoemde bet.
In een rapport van 4 Oct. 1805 van den Opziener van P. moentjang wordt gesproken van eene verdeeling van geld onder ”de troepshoofden … en loeras”,   bij DE HAAN, Priangan 3, 615 [1805].
De Hoofden geven deze bevelen (tot levering van manschappen en vee) … weder aan de troepshoofden, deze aan de mandoors, en zoodanig komt de eisch aan den gemeenen man,   DE WILDE, Preanger Regentsch. 189 [1830].
Troephuis (1, a, β), localiteit waar padvinders plegen samen te komen.
De spelletjes in het troephuis (van de padvinders) kon hij ondanks zijn zwakke gezondheid makkelijk volgen,   Vrouw en h. Huis32, 123 [1937].
Het is de N.T.S. ter ore gekomen, dat padvinders vaak hun eigen troephuis zelf bouwen,   uit een padvindersblad [1963].
Troepenindeeling (1, a of f), manier van opstellen, opstelling van een of meer mil. eenheden.
Ordre de bataille. Troepenindeeling. Marschorde,   DE VLAMING, Tact. 2, 18 [1885].
Bij het regelen van den marsch vermelden commandanten van kleine eenheden de troepenindeeling ter zijde van het bevel,   Voorschr. Veldd. I (1934), 67.
Troepeninvasie (1, f).
Merkwaardig was, dat instanties in de Cubaanse hoofdstad Havanna … verklaarden niets te weten van een troepeninvasie,   Leidsch Dagbl. 21 Juni 1963.
Troepenkamp (1, a of f).
Troepenkamp …, legerkamp,   V. DALE [1950].
Troepenkampement (zie Dl. VII, 1165).
Troepkas (1, a, β).
Leer den jongens brandhout te hakken. Als ze oude kisten enz. tot bosjes brandhout hakken, kunnen ze hiermede aardig wat voor hun troepkas verdienen,   BADEN POWELLSCHAAP, Verkennen 130 [1934].
Troepenkorps (1, a of f), alg. ben. voor een legeronderdeel; troepenmacht.
Troepenkorps, corps de troupes,   BRASSINE, Rechtsk. Wdb. [1935].
— Het eenige wat hier (in zekere beschrijving) welligt nog te wenschen zou blijven …, is, dat de sterkte der troepen ook steeds naar het getal strijders opgegeven ware …, even als men gaarne de approximatieve sterkte-opgaaf van den tegenoverstaanden vijand en de benaming zijner aanvoerders en troepenkorpsen gezien had,   Milit. Spect. 1850, 34 a.
De Prinsen van Oranje en Frederik (vereenigen) een troepenkorps bij Antwerpen, en rukken hiermede tegen Brussel op,   398 b.
Het uitgestrekte veld, waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen vertoonden, gepantserde en niet gepantserde ruiters in bonte, veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten enz.,   V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 83 [1871].
Troepkreet (1, a, β).
Er zijn leiders, die een groep lastige en wilde jongens onder discipline houden door hen gemeenschappelijk krachtig en energiek te laten zingen en spelen. Ook ”Yelles”, gemeenschappelijke en rythmische troepkreten, beantwoorden aan dit doel,   BADEN POWELLSCHAAP, Verkennen 67 [1934].
Troepenlandingsvaartuig (1, a of f).
Geoefende zeemansogen (onderscheiden) de omtrekken van schepen, bepalen zelfs de types: een trawler, troepenlandingsvaartuigen, een zwerm E-boten ter dekking,   V. BEERS in Het Vrije Volk 30 Jan. 1947.
Troepleider (1, a, β), hoofd, leider van een troep padvinders.
Troepleider. — Draagt een derde streep op den linker borstzak. Schouderlinten van laatste patrouille,   BADEN POWELL-SCHAAP, Verkennen 60 [1934].
Onze troepleider (bij de padvinderij) was een oud-officier, een ietwat protserige conservatieve domkop, die het met de discipline diep ernstig nam en die ons commandeerde alsof hij een troep echte recruten voor had,   DEKKER, Amst. bij Gasl. 48 [1949].
Troepleiding, resp. troepenleiding.
1°. (1, a of f). In den vorm troepenleiding: het leiden van troepen.
Onze tactische vorming, de groote kunst der troepenleiding,   Milit. Spect. 1875, 8.
In beginsel wordt de vleugels- of sectorsgewijze opstelling — naargelang van de sterkte — in drie liniën, in het belang van de troepenleiding en het gemakkelijker bewaren van het tactisch verband, als de normale beschouwd,   DE VLAMING, Tact. 1, 81 [1888].
De Commissie stelt voorop, dat de hoogere tactische vorming van officieren vereischt wordt in het belang van de leiding van groote troepenlichamen, samengesteld uit verschillende wapens en dienstvakken, de z.g. ”hoogere troepenleiding”,   Milit. Spect. 1915, 98.
2° (1, a, β). In den vorm troepleiding, de gezamenlijke leiders der padvinders.
De Eereraad beslist over belooningen, straffen, werkprogramma's, kampen en andere aangelegenheden, welke de troepleiding betreffen,   BADEN POWELL-SCHAAP, Verkennen 67 [1934].
Troepleven (3, a), het leven in een troep.
Al wat bij het wilde en het troepleven nuttig was, kan tot spel vervormd door ieder worden waargenomen (t.w. bij honden),   Toepoel's Hondenencyclop. 435 b [1940].
Troepenlichaam (1, a of f); zie een voorb. hierboven onder Troepenleiding, 1°.
Troeplokaal (1, a, β); verg. troephuis.
Wie heeft een schuur, stal, leegstaand lokaal of wat ook voor hen (een aantal padvinders) beschikbaar om als troeplokaal te dienen?   Alg. Handelsbl. 28 Nov. 1915.
Ons troeplokaal (dat van padvinders), een oud pakhuis in de binnenstad, was ons in bruikleen gegeven door de vader van een der jongens,   DEKKER, Amst. bij Gasl. 48 [1949].
Troepenmacht (zie ald.).
Troepenmassa (1, a of f). Alleen in het mv. aangetroffen, behalve in sommige wdb. (b.v. V. DALE [1961])).
Men vergenoegde zich, bij herhaling, over de groote troepenmassa's op de Place du Caroussel revue te houden, in stede van ze met geschut in 't vuur te zenden,   Milit. Spect. 1850, 405.
Laat in ongestoorde vrijheid tegen elkander wedijveren en strijden de kleine legerbenden tegen de groote troepenmassa's en de groote bataljons zullen het winnen,   QUACK, Soc. 1, 9 [1887].
Reeds sinds 1803 waren groote troepenmassa's geconcentreerd in de buurt van Boulogne-aan-Zee ten einde een landing te wagen,   BARTSTRA in Pelgrimstocht 508 [1948].
Troepenofficier (1, a of f), officier die troependienst (zie hierboven) doet.
Het gevaar …, dat het technische element een grooteren invloed in de hoogere vorming der troepenofficieren krijgt dan bepaald noodzakelijk is,   Milit. Spect. 1915, 103.
De woningen der troepenofficieren,   HOLWERDA, Nederl. vr. Gesch. 194 [1925].
Troepenonderdeel (1, a of f).
Hoe vormt men een goed militair troepenonderdeel?   Mavors 12, 17 [1918].
De verdeeling der troepenonderdeelen over de laadplaatsen,   Voorschr. Veldd. I (1934), 39.
Uiteraard is ook aan de troepenonderdelen van de luchtverdediging het meergenoemde telexbericht doorgegeven, luidende enz.,   Enquêtecomm. Regeringsbel. 1940-45 1 A, 119 [1949].
Troepopstelling, resp. troepenopstelling.
1°. Met betr. tot de padvinderij (zie onder 1, a, β) in den vorm troepopstelling: wijze van opgesteld zijn.
Troep-Opstellingen. Op één gelid beteekent naast elkander. De verkenners van iedere patrouille staan op één gelid; de assistent rechts, patrouilleleider drie passen voor het midden,   BADEN POWELLSCHAAP, Verkennen 257 [1934].
2° (1, a of f). In den vorm troepenopstelling.
Wijze van opgesteld zijn.
Gegevens omtrent de eigen opstelling, vastgelegd op een schets …, waarop te vermelden: weerstandslijnen …, troepenopstelling (alarm- en rusttoestand), commandoposten enz.,   Infant.-Reglem. II A (1934), 130.
Formatie.
Dat de operatiën niet mogen worden gebaseerd op het slagen van een terugtocht van troepenopstellingen in en achter de Grebbelinie,   Enquêtecomm. Regeringsbel. 1940-45 1 A, 47 [1949].
Troepenpaard (1, a of f), paard dat eert. in gebruik was bij bepaalde legeronderdeelen, legerpaard.
Dit (het beproeven van zekere bewegingen), en zoo de teugels steeds op de maat zijn, komt mij, vooral voor troepenpaarden, reeds voldoende voor om nadere … proeven … waardig te achten,   Milit. Spect. 1850, 326 a.
Instructie omtrent den aankoop en de keuring van troepenpaarden,   in Encyclop. v. N.-I. 3, 154 b [1870].
Troepenpersoneel (1, a of f); zie de aanh.
(De commandant van den vaartuigendienst) stelt … het troepenpersoneel te werk, dat op zijn aanvraag door den troepencommandant ter beschikking is gesteld om behulpzaam te zijn bij het laden van paarden en voertuigen,   Voorschr. Veldd. I (1934), 47.
Troepschapen (mv.); eenmaal aangetroffen in den zin van: schapen die tot een kudde behooren; verg. boven onder 3, a, γ), 2de alinea.
Item, aengaende de troupschapen, die men naemt suydersche ofte lancksteerten, es men schuldigh te betaelen enz.,   in WEALE, Égl. de Dixm. 2, 340 [1724].
Troepenschip (1, a of f); verg. Troepentransportschip.
Voor goed, doelmatig, snel en tevens minder kostbaar troepenvervoer, bestaat slechts één rationeele weg, nl. het bezigen van bepaalde troepenschepen,   Milit. Spect. 1875, 725.
Aan boord van ieder troepenschip bevinden zich demobilisatievoorlichtings-officieren,   Ons Gezin 4, 381 a [1949].
Troepenschouw (1, a of f), monstering, inspectie van troepen, wapenschouwing.
Hij kon niet deelnemen aan de troepenschouw van 14 Juli, waarbij hij het vaandel van de vliegers zou gedragen hebben,   Avia 7, 72 b [1916].
Troepsluiter (1, b).
Toekenning van een maandelijksch tractement van 6 realen aan den voorrijder van de inlandsche ruiterij, van 4 realen aan den troep-sluiter en van 2 realen aan twee korporaals,   N.-I. Plakaatb. 2, 440 [1668].
Troepensterkte (1 a of f).
Deze moeilijkheden (van een nachtgevecht) nemen toe naarmate de duisternis meer volkomen, het terrein moeilijker en de troepensterkte grooter is,   Infant.-Reglem. II B (1934), 121.
Van geallieerde zijde wordt … de hoop uitgesproken, dat de Nederlandsche strijdkrachten geen fronten zullen gaan verdedigen, welke in slechte verhouding staan tot de beschikbare troepensterkte,   Enquêtecomm. Regeringsbel. 1940-45 1 B, 42 a [1949].
Troepentent (1, f).
De P.R. 255 is de Pyramidal stormtent, oorspronkelijk een Amerikaans legertype, dat voor troepentent dient,   Faber Post 46 [1955].
Troepentransport (1, a of f), het vervoeren, vervoer van troepen; iedere keer dat vervoer van troepen plaats heeft.
Het gemis aan voldoende, voor troepentransporten bruikbare wegen,   Milit. Spect. 1915, 43.
Naderhand herstelde deze (de overzeesche handel) zich een weinig, daar het toen mogelijk was de boomkweekerijproducten als retourvracht met de schepen voor troepen- en wapentransport mede te geven,   Versl. Landb. 1921, 5, 23.
De veerboot in Stavoren, voor Duits troepentransport aangewezen, werd tot zinken gebracht,   FURSTNER in Onderdr. en Verzet 1, 260 [1949].
Hierbij: troepentransportschip (Een vijftal … tot troepentransportschepen verbouwde vrachtschepen, N. R. C. 25 Juli 1947; BOERHAVE BEEKMAN in Hout in alle T. 6, 220 [1955])), Troepentank (Troepentransporttank, char, léger transport de troupe, KOK, Ned.-Fr. Milit. Wdb. [1961])).
Troepverband resp. troepenverband.
1°. (1) In milit. toep. in den vorm troepenverband.
(Bij zijn ontwerp van den veldtocht in 1914) ging hij uit van de groote uitbreiding welke de legers, zoowel aan strijders als aan troepenverbanden, sinds 1870 in de groote rijken hadden ondergaan,   Mil. Spect. 88, 490 [1919].
2°. (3) In den vorm troepverband. In de verb. in troepverband alleen aangetroffen met betr. tot vogels.
Bij vogels, welke in troepverband vliegen, zoals strandlopers, rosse grutto's, spreeuwen of eenden, kan de slechtvalk alleen succes boeken, wanneer hij er in slaagt een enkeling uit de troep te jagen,   STRIJBOS, Vogels v. Strand en Duin 104 [1939].
In het vroege voorjaar, in Maart, leven onze scholeksters nog in troepverband,   MAKKINK, Vogels v. Wadden en Rivierm. 64 [1949].
In de afgelopen winter hebben zij (zekere kokmeeuwen) in min of meer gesloten troepverband geleefd. Die grotere eenheid is nu bezig zich op te lossen,   Syllabus R.V.U. 1 Juli 1954, 3 a.
Troepenvereenigingen (1, a of f), het bijeen zijn of brengen van versch. onderdeelen van een strijdmacht, b.v. met het oog op het houden van mil. oefeningen.
Het is … noodzakelijk deze formatiën te beoefenen in de garnizoenen waar infanterie en artillerie vereenigd zijn, of bij groote troepenvereenigingen,   Milit. Spect. 1850, 26 b.
Indachtig aan den regel dat oefeningen te leerrijker zijn, naarmate zij de werkelijkheid naderen, is het gewicht van de jaarlijksche troepenvereenigingen in kampen op den achtergrond gebracht en … aan de herfstmanoeuvres de voorkeur geschonken,   1875, 3.
Troepenverplaatsing (1, a of f), meestal in den meervoudsvorm, troepenbeweging, verandering van plaats of positie van troepen.
Dat het Servische bergland nagenoeg ongeschikt is voor groote troepenverplaatsingen,   Milit. Spect. 1915, 829.
Brieven en mededeelingen van militairen …, enz. mogen geen mededeelingen bevatten betreffende o.m.: — de plaats van verzending; — troepensterkte, troepenverzameling, troepenverplaatsing enz.,   Voorschr. Veldd. I (1934), 29.
Groote troepenverplaatsingen des nachts en een enorme luchtactiviteit,   VOETEN, Doortocht 216 [1945].
Troepenverschuiving (1, f), positieverandering, plaatsverandering van troepen over geringen afstand.
De korpstreinen (zullen) zooveel mogelijk auto's moeten tellen, daar het Leger, voor mogelijke snelle troepenverschuivingen (Verdun, Marne, Ham enz.), dient te beschikken over een groot aantal — voor personenvervoer bruikbare — vrachtauto's,   Mil. Spect. 88, 729 [1919].
Nadat deze concentratie … was uitgevoerd, waren nog tal van verplaatsingen en troepenverschuivingen noodzakelijk,   Enquêtecomm. Regeringsbel. 1940-45 1 A, 40 [1949].
Troepenvervoer (1, a of f), het vervoeren, de overbrenging van militairen.
Wij … stemmen veeleer toe, dat die wijze van troepen-vervoer (t.w. per stoomboot) in zekere gevallen hoogst nuttig kon wezen,   Milit. Spect. 1850, 90 b.
De middagéditie berichtte, dat de mobilisatie een goed en snel verloop had … (Enorm, geheim troepenvervoer, in extra-treinen, alle kanten uit),   MOOY, Maalstr. 3, 160 [1930].
Toen onze treinen nog reden, zij het overbelast en met uren, soms halve dagen vertraging, omdat de bezetter op de meest onverwachte tijdstippen het rollend materieel der Nederlandsche Spoorwegen vorderde voor troepenvervoer,   ADRIANI ENGELS en WALLAGH, Nacht over Nederl. 258 [1946].
Troepenverzameling (1, a of f); zie een voorb. onder Troepenverplaatsing.
Troepenwagen (1, a of f), voertuig om troepen te vervoeren.
De geheele nasleep en omhaal van troepenwagens, mobiele en stabiele magazijnen kan daarbij (bijverpleging door eigen zorg der troepen”) gemist worden,   Milit. Spect. 1875, 415.
Troepenwerving (1, a of f).
Vijandelijke troepenwerving,   in Kron. Kloosterz. Mariënburg 52 [1931].
Troepenzending (1, a of f).
De militaire hulp, die de Geallieerden in de 2e Wereldoorlog aan Nederland hebben verleend in de vorm van troepenzendingen naar Suriname en de Nederlandse Antillen,   FRANÇOIS, Volkenrecht 2, 984 [1950].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1964.