Koppelingen:
Vorig artikel: UITEISCHEN Volgend artikel: UIT-EN-TE(R)-NA
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

UITEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.,trans.,refl.)

Modern lemma: uiten

bedr. en wederk., een enkele maal onz. zw. ww. Mnl. ûten. Van uit met -en. (Vgl. een zelfde formatie bij INNEN, OPPEREN).
+1.  (Bedr. en wederk.) (Taal)klanken, woorden) van zich doen uitgaan.
  KIL. [1588].
  V. DALE [1898 ].
2.  M. betr. t. vuur, brand en brandende voorwerpen: doen ophouden te branden; blusschen, uitdoen, uitdooven. Veroud.
Item wie mit wapen te brande quame, anders dan mit een ijserhoek, pothuve ofte oesvate of enich ander dinck, daer men den brant mede vuyten mach, verbuerde 5 lb,   Keurb. v. Leiden (ed. HAMAKER) 281 [1508].
(Hij) sal sijn Corporael roepen, die als dan niemandt sal op ofte aflaten (van den wachtpost) dan … by tijde van onraedt mijn Heeren den Burghemeesteren …, ende by tijde van Brant, den selfden: mitsgaders allen den ghenen die tot den brandt te uyten ghedestineert zijn,   Handv. v. Amst. 147 a [1594].
Door't affblaesen van sommige stucken (is) t' schip t' Wapen van Hoorn in brandt geraeckt, doch door goede toeversicht ende wackerheijt van 't volck, sonder merckelijcke schade, tijdtlijck … geuijtet,   Daghreg. Bat. 1625, 208 [1625].
In cas van Brand in eenig Schip … sullen de Brand-meesters en alle andere die bescheyden syn tot de Brand-spuyten … haer op het spoedigste … hebben te begeven aan de Ykant …: alwaer zy zullen vinden … een Styger-schuyt gereet leggen om de Spuyt daar op te setten …: waar mede sy luyden dan aanstonds sullen hebben te varen na 't voorsz. Schip, om aldaar den Brand te helpen uytten,   Handv. v. Amst. 841 b [1685].
3.  M. betr. t. wetten, verordeningen enz.: in het openbaar bekend, maken; uitvaardigen, afkondigen. Veroud.
Dit placcaet gheuut zijnde, waren sommighe lieden daer inne zeer verblijt,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 296 [1567].
Ick zien …, dat wij tonsen voordeele verhopen en verwachten wt dit edict dat oock soo zekerlick wt het zelve volcht een gansche verdervenis, en nederlaghe vanden verhoopten welstant, eenicheit ende Reghieringhe ver vereenichde Nederlanden Provincien Leden ende steden van dien, twelck al staet te verwachten, eensdeels deur het wtten, maer eindelick deur het executeren ende doen onderhouden vant voornoemde Edict,   Mall. Reden-kav. 71 [1596].
+4.  (Bedr. en onz.) (Be)eindigen.
Wten oft eynden. Finire, Definire,   KIL. [1572].
Termineren, eynden, beslichten, wten,   THUYS, Ars Notar. A 9 v° [1585].
Uyten, … eynden, voleyndigen,   Terminer, Wdb. Ned. en Fr. T. [1764].
+5.  Naar buiten brengen, naar buiten doen komen, ergens uithalen. Veroud.
Sy … sprack tot hem, nv suldijt selfs vastelijck sluyten Ende begorden het decxel met stercke touwen …. Vlysses dit horende, ghinck tdecxel daer op schicken, Dicht ende wel dat mer gants niet en mocht wten,   COORNHERT, Odyss. 1, 59 b [1561].
Weenen … de oogen mijn, Soo moeten 't vreugde-tranen zijn: Of sal 't uyt droefheyt spruyten; Door mededoogen met de Wer'lt moet ick dan tranen uyten,   CAMPHUYZEN, St. R. 118 b [1624].
Als jong' Olijven-boomen, Die schoon en milt op-koomen …, Haer loofjen weeldig uytende …: Soo sullen oock u kinderen … U tafel, soet, Om-ringelen,   290 b [± 1625].
6.  Leeg maken, ledigen. Veroud.
Voor mijn, 'k wou 'k al me by de vocht-lepel was, 'k Sou wel raet weten om een kan van een paertje te uyten (een dorstige "ratelwacht" spreekt),   W. D. HOOFT, Jan Saly D 2 r° [1622].
Geeft dat wy voords ons' winkels voll opsluijten die voorraad dan op voorraad mogen uijten,   DE HUBERT, Ps. 144, 13 [1624].
+7.  (Vl.-Belg.) M. betr. t. een afgestorvene.
8.  Uitbeelden, voorstellen; in de verb. zijn personage uiten, zijn rol spelen. Zie ook Dl. XII, 1302.
Ghelijck in een Toonspel alle de spelende persoonen Haer tot het rechte spels besluyt juyst niet en vertoonen, Noch oock gheen een persoon alle ghelijck en spelen: … Soo zijn oock de menschen hier beneden in dit droeve dal, 't Welck maer een groot spel is, daer wy allegaer Ons personagie uyten, niet gelijckelijck, maer d'een nae den aer,   COSTER 549 [1613].
+9.  (Gewest. in Vl.-Belg.) Bekend maken, onthullen.
't Zijn veel zieke menschen in stad, maar 't en wordt niet g'uit,   Loquela 10, 39 [Sweveghem, 1890].
10.  (W.-Friesl.) Voor zijn genoegen op stap gaan, uitgaan.
  KARSTEN 161 [1931-1934].
Afl. Geuiten.
Uitbaar, te uiten (in de bet. 4).
Geschapen heerlykheid, zoo schoon van lyf en leest, Van nimmer uitb'ren lof, en noit uitputb'ren geest,   OUDAAN, Poëzy 2, 18 [1658].
Uiter (10).
En den die uitjes, die we welderes had hewwe (met het fanfaregezelschap). Ik gaan nog altoid vast mee. Niet dat ik zon uiter bin, want ik koom aars nooit nergens, maar, azze ze nei 'n aar dûrp te bleize moete, den bin 'k ôk van de pertai,   W. Friesl. O. en N. 2, 152 [1928].
Uiting (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1979.