Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: UITZONDERING Volgend artikel: UITZOOMEN

UITZONDERLIJK

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: uitzonderlijk

bnw. en bijw. Van uitzonderen met -lijk (III).
1.  (Bijw.) In 't bijzonder, bepaaldelijk, inzonderheid. (In de eerste twee aanh. ook op te vatten als een versterkend bijw. Vgl. bet. 3).
Hier waren veele die oordeelden dat die lieden noch niet opgedaert zijnde door de roede des Oorlogs …, haren ouden gangh gingen, en daerom Godt de Heer haer nu soo uytsonderlijk besocht,   SOETEBOOM, Ned. Schouton. 539 [1678].
Salomo … onderhield in zijne woning duizend vrouwen — hij was rijk! Duizend vrouwen … en toch was hij wijs gebleven, want hij minde uitzonderlijk ééne alleen,   VUYLSTEKE, Ged. 1, 13 [1860].
Bewust als hij was van het vertrouwen dat mevrouw B. zeer uitzonderlijk in hem geplaatst had,   TEIRLINCK, Serjansz. 210 [1908].
+2.  Een uitzondering vormend, makend.
3.  (Bnw.) Ter aanduiding van een hoogen graad van een (genoemde) hoedanigheid; uiterst, bijzonder. Niet altijd te scheiden van de bet. 2).
De lichaemszwakheid van H. … stelde hem … in eenen staet van minderheid en onderwerping, die zwaer op zyne inborst woog en hem eene uitzonderlyke vreesachtigheid inboezemde,   CONSC., Omw. 13 [1858].
Hij nam zijne toevlucht weer tot zijne geliefde, nooit trouwlooze boeken … Hij zou er komen, kost wat kost. Hij had oogenblikken van uitzonderlijke bezieling,   DE VOS, Vl. Jong. 155 [ed. 1879].

Aanvulling bij UITZONDERLIJK

Afl. Uitzonderlijkheid, (abstr.) het uitzonderlijk zijn; (concr.) iets dat, iem. die uitzonderlijk is.
  V. DALE [1950 ].
— Zij (Emma) zegde haar dochter …, dat de innerlijke waarde van elk schepsel louter en alleen ligt in zijn karakter. Dit geldt voor de tuinknecht als voor de minister …. 't Eerbetoon bij officiële ontvangsten geldt geen persoonlijke uitzonderlijkheid,   LAMAN TRIP-DE BEAUFORT, Wilhelmina 24 [1965].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1983.