Koppelingen:
Vorig artikel: VERSTAPPEN Volgend artikel: VERSTAREN

VERSTARD

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: verstard

bnw. Volt. deelw. van verstarren.
1.  Star, strak, onbeweeglijk door een hevig gevoelen, inz. schrik, ontsteltenis, droefheid (zoowel van de oogen, de blik, het gezicht, als van den mensch zelve).
'k Vlieg, starend met verstarde blikken Op 't oord, waar 't hart my henen drijft,   BILD. 10, 30 [1784].
Waar langs zij heentrad, was geen blik, Die niet verstard bleef staan van schrik,   TOLLENS 10, 170 [1848].
R. (verstard van schrik). Is dàt — dàt — de vrouw?   HEIJERMANS, Allerzielen 96 [1905].
Ze zagen elkander een oogenblik aan; beider oogen stonden ernstig en verstard in verlangen; het was Martha of alles om haar heen verging,   GOEDH.-BECKER, M. Vroom 142 [1916].
2.  Onbeweeglijk, bewegingloos.
Wij hadden reeds eenmaal gelegenheid er op te wijzen, hoe bij het absolute nulpunt de moleculaire wereld verstard is,   Natuur en Vernuft 2, 205 a [1916].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1986.