Koppelingen:
Vorig artikel: VREDEWISCH Volgend artikel: VREDIGEN
GTB Woordenboeken: MNW

VREDIG

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: vredig

VREEG —, bnw. en bijw. Van vrede met -ig. — Mnl., mnd. vredich, nnd. vredig; fri. fredich; hd. friedig; zwe. fredig, fridig. — Een gesyncopeerde vorm vreeg is aangetroffen in Vlaerd. Redenr.-bergh C 3 v° [1616] en bij COSTER 389 [1619] en COSTER 397 [1619]; blijkens de dialectgegevens is deze vorm gewoon in Drente (zie Dr. Volksalm. 1846, 68, MOLEMA (hs.) [1895] en WANINK [1948]).
+1.  (In aansl. bi het gebruik van vrede in de rechtstaal (I) en in de bet. 10). Vrij van hinderlijke invloeden of stoornissen van buiten af; zonder (door anderen) gestoord of lastig gevallen te worden; onbelemmerd, ongehinderd, ongemoeid, ongestoord; rustig. Reeds mnl. (Mieris 2, 296 a [1322]) (zic Mnl. W. s.v. vredich (2de art.), ald. in de verb. vredich lant, (meton.) "land dat men vredig bezit"; door VERDAM verkeerdelijk geïnterpreteerd als "bedorven, onbruikbaar of slecht, onvruchtbaar").
+2.  (In aansl. bij vrede in de bet. 13). Gehecht (zijnde) aan —, strevend naar goede verstandhouding, harmonie, eendracht, verdraagzaamheid; niet geneigd tot oneenigheid, twist, tweedracht, onverdraagzaamheid; eendrachtig, harmonieus. Reeds mnl. (V.D. SCHUEREN, Teuth. [1475]). Thans w.g. en blijkbaar vervangen door vreedzaam.
+3.  (In aansl. bij vrede in de bet. 15). Vrij van innerlijke beroering; niet ontsteld door gemoedsbeweging. In de aanh. vaak verbonden met kalm of rustig. Reeds mnl. (Coll. 174 v° [c. 1480]).
Vredigh. j. vredelick. Placidus,   KIL. [1599].
Vredig, … vrede bezittend, rustig van gemoed,   V. DALE [1950 ].
+4.  (In aansl. bij vrede in de bet. 5). Vrij van —, gespaard (blijvend) van —, zonder (gebruikmaking van) oorlog, strijd, bloedvergieten of wapengeweld; in een toestand van vrede; vandaar ook: met (behoud van den) vrede, niet met oorlog, bloedvergieten enz. gepaard gaand.
+5.  (In aansl. bij vrede in de bet. 5), soms ook 6 12). Geneigd tot —, strevend naar (het in stand houden of het herstel van de) vriendschappelijke betrekkingen (tusschen volkeren, staten enz.), resp. gesteld op vrede (als toestand dat er geen vijandelijkheden heerschen); niet oorlogszuchtig. Blijkbaar minder gewoon dan vreedzaam (zie ald. de bet. 5). Veroud.
Pacificus, Pacatus …; vredig,   Syn. Lat. Teut. 2, 362 a [c. 1640].
Pacifiq, vreedigh, vreedsaam,   MEYER, Woorden-Schat [ed. Haarlem, 1650].
Vredig, pacifique, paisible,   V. MOOCK [1846].
+6.  (In aansl. bij vrede in de bet. 19). Ordelijk, rustig, kalm. W.g.
7.  (In aansl. bij vrede in de bet. 20 en 22). Vrij van inspanning, moeiten, (tijdelijke) zorgen, beslommeringen, ellende. Gezegd van den ouderdom en van het leven of den tijd na het neerleggen of het beëindigen van zijn werkzaamheden. Ongew.
Indien ik een vredig gerust leven gevonden hebbe, dat was als ik my scheyde van alle wereldsche handeling, en bekommernissen, my begevende tot mijne boeken,   KRUL, P.W. 1, 22 [1644].
Ziet, hoe eens, op uw stille boorden (t.w. in het hospitaal van Greenwich), Sy, die in alle Weerelds-oorden, Zworven, voor Engelands rykdom, Bevryd voor stromen en voor vlaagen Nu eindigen haar laatste dagen In rust, en vreedig' Ouderdom!   V. HAREN, Aan het vaderland 130  (ed. 1769).
Thuis praatte C. … weinig of niets over al die drukte en benauwenis. Hij had er al genoeg van dagelijks op kantoor: de weinige uren die hij in z'n gezin doorbracht moesten vredig zijn en liefst wat vroolijk,   ROBBERS, Gel. Fam. 265 [1909].
8.  (In aansl. bij vrede in de bet. 11). Ter aanduiding van een subjectief gevoel: bevrediging, voldoening schenkend; genoeglijk; vandaar ook: een gelukzalig, vreugdevol gevoel opwekkend; tot vreugde, tot tevredenheid stemmend; behaaglijk, aangenaam. Thans ongew.
Hoe vredig placht De lange nacht, Hoe zoet en zacht De dag my deur te gaen,   DE DECKER 2, 397 [1659].
(De Prins) dwaalt … jaren in en uit, Tot eindlijk, zwervens zat, Een eenzaam dal zijn woning wordt, Vervreemd van Hof en Stad …. Daar vindt hy in behoefte en vlijt De rust en kalmte weêr: En in zijn nieuw en vredig lot Verliest zich 't wreed welëer,   BILD. 1, 209 [1804].
Het Oosten zendt vergeefs zijn heulsap: … 't Wekt dronkenschap, vervoert, schept schrik- en misttooneelen: Maar rust? Maar zoeten slaap? maar vredig hersenstreelen? 6,   449 [1806].
O Vondel! had mijn hart u meer in eer gehouen …, Mijn domme jeugd … in geen vreemd gareel gedraafd: 'k Zou mooglijk hedendaags met vrediger genoegen Terugzien op mijn dichterpad,   BEETS 2, 424 [1845].
Zij behield … de onbedrieglijk-voorgevoelende verwachting, dat hij éens zou komen, de manheer. En 't gaf haar eene vredige vreugde … er over te soezen,   HARTOG, Sjofelen 76 [1900].
9.  (In aansl. bij vrede in de bet. 7). Tot heil, (geestelijk) welzijn strekkende; heilzaam; in de 1ste aanh. ook: deelachtig aan het goddelijk heil, gezegend, zalig. W.g.
Een deeg'lik man zal eindlik vreedig (in ed. 1674: "saalig") leeven: Maar 't volk dat, stout afvallig, God versmaad, Werd t'saam verdelgt,   SIX V. CHAND., Ps. 37, 19 [1690].
De abt … wilde den broeders de vredige gedachte eigen maken, dat zij niets waren dan loonknecht in den dienst des Heeren,   V.D. LEEUW, Gezegenden 77 [1923].
+10.  (In aansl. bij vrede in de bet. 17). Vrij van —, zonder drukte, leven, gewoel, lawaai; niet roerig, druk of luidruchtig; rustig, stil; vandaar ook: idyllisch. In de aanh. vaak verbonden met syn. De bet. -nuances "vrij van geluiden" en "vrij van drukte, leven en gewoel" zijn veelal niet te scheiden, en bijgevolg in één bet. -nummer behandeld.
11.  (In aansl. bij vrede in de bet. 18). M. betr. t. de zee, de natuur, natuurverschijnselen e.d.: niet of weinig in beweging, niet woelig of onstuimig; rustig, kalm, stil, door de afwezigheid van wind, storm, hevige luchtbewegingen enz.; soms bep.: langzaam, zachtjes. W.g.
Vredig, rustig, in rust,   OVERDIEP, Wdb. Katw. [1949].
— Die dee haalwagt heyd roept: Leerye! Boove komme! Hebye geen onheyle vernoome in je wagte? Neen, ist woord, en al de viere (vuurbakens?) legge nog vreedig,   in Leidsch Jaarb. 21, 38 [Katwijk, ± 1790].
Hier zoudt gij uren, uren wenschen te staren, totdat in de vale duisternis van den nacht de laatste glans van den hemel vredig wegsterft,   GORTER, Lett. Stud. 1, 61 [1866].
Net uit de Veertig zagen ze de eerste ijsbergen …. Vredig dreven ze noord-in, door de deining voornaam op en neder bewogen,   FENAND V.D. OEVER, Moeder 131 [1952].
12.  (In aansl. bij vrede in de bet. 4). Van een stuk grond: (door middel van een omheining, een gracht e.d.) afgesloten, afgeschut. Alleen in het Westerkwartier. Vgl. vredigen in de bet. 6).
't Laand vredeg moak,   TER LAAN [1929].
Afl. Onvredig.
Vredigen (?), vredigheid (zie die woorden).
Vrediglijk. Alleen aangetroffen in een aantal wdb. vanaf KRAMER [1719] tot V. DALE [1970].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1977.