Koppelingen:
Vorig artikel: ZALF Volgend artikel: -ZALIG II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

ZALIGI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: zalig

bnw. en bijw. Onfr. sâlig ‘beatus’, mnl. salich, oostmnl. ook selich(gh); os. sâlig, mnd. salich, selich, nnd. salig, selig; ofri. sêlig, nfri. sillich; oeng. (ge-)sælig, neng. silly ‘onnoozel’; ohd. sâlig, nhd. selig. Afl. van germ.: *sêli-; vgl. on. sæll ‘gelukkig’ en got. sels ‘goed, deugdelijk’. De meest aannemelijke verklaring brengt het woord in verband met o.a. gr. λος ‘geheel’, oudlat. sollus ‘totus et solidus’, lat. salus ‘heil, gezondheid’, salvus ‘behouden, gezond’. Zie verder de etym. wdb. en voor andere verklaringen m.n. J. DE VRIES, N.E.W. Umlautsvormen als zelig, zielig waren en zijn nog (zie limb. idiotica als JONGENEEL [1884], V.D. HEIJDEN [1927] en DOLS (ed. post. 1953)) in oostndl. dial. in gebr.
+I.  In niet-godsdienstigen zin.
+II.  In godsdienstigen zin en daarbij direct aansl. gebr.
Afl. Onzalig.
Zaligaard, persoon die zalig (14) is.
O saaligaard, ja meer dan drymaal is Hy saaligh, die in deese aanvechtenis Den deughdringh nooit, gelyk een Held, steekt mis, Maar eeuwigh draaght den seegen,   SIX V. CHAND. 182 [1657].
Zaligen, zaligheid, zaliglijk (zie die woorden).
Samenst., samenst. afl. en kopp. Als tweede lid o.a. in: arbeidzalig, bidzalig, buikzalig, gelukzalig, godzalig, halfzalig, lamzalig, rampzalig, volzalig, welzalig, zegezalig, zoetzalig. Voor een aantal bijz. gevallen zie men ook nog -ZALIG (II).
Als eerste lid (ook in meerledige samenst.) o.a. in: Zaliggever, zaligmaker. Wsch. een contaminatie van zaligmaker en heilgever. Vgl. Mnl. W. 7, 104.
Heere ick sal uwen salichgheuer verwachten,   Leuv. Bijbel, Gen. 49 C [1548].
Zaliggraag, begeerig naar de eeuwige zaligheid.
Gaat zaliggrage zielen … By deze kribbe uw eer bewyzen Aan die 'er in gebakert rust,   DULLAERT, Ged. 172 [1670].
Zaligmaken, zaligmakend, zaligmaker, zaligmaking (zie die woorden).
Zalig-nieuwjaargift.
Ontfangt dan … dit myn Werckxken voor een saligh Nieuw-Jaer ghiftken,   V.D. LEPE, Weir. Ydelh. (16) [1688].
Zalig-nieuwjaarwenschen.
Het zalig-nieuwjaarwenschen Is in voege bij de menschen; 'k Neem dit oud gebruik te baat, Om … ook mijne wenschen te uiten Voor al, wie nog Vlaamsch verstaat,   J. V. RIJSWIJCK 1, 130 [1849].
Zaligprijzing, zaligspreking.
Den waren geest van Christus … leeren wij vooral kennen uit de zaligprijzingen van Christus, die de acht zaligheden genoemd worden,   POTTERS, Katech. 5, 233 [1914].
Zalig zij, die treuren; want zij zullen getroost worden. Wat zegt de wereld van die zaligprijzing?   5, 238 [1914].
Zaligrijk, van personen: rijk door God gezegend, zeer gezegend; van zaken: zegenrijk, zeer heilzaam.
Lof-sangh vanden saeligh-rycken Ioseph … Christi Vaeder wilt verblijden Suyvren Ioseph, die voortijden Weerdigh waer't t'aenschouwen eest Die tot wel-daed ons ghegheven Uyt een Maeghet quam in 'tleven Door den Vaeder, Soon en Gheest,   DE HARDUYN, Godd. Lofs. 29 [1620].
Doet gy ons verstand bemercken. 't Geen door Heyligen is gepleegt, 't Hert dat worter door beweegt, Om hun salig-rycke wercken Nae te volgen,   voor V.D. MATT, Fasc. Myrrhae * 3 v° [1677].
Zaligspreking (zie ald.).
Zaligverklaarde, iem. die zalig is verklaard.
Zij (een zaligverklaring) (geeft) den zaligverklaarde aanspraak op de vereering der geloovigen in een bepaald gedeelte der kerk,   Nieuwenhuis' Wdb. v. K. en W. [1868].
Zaligverklaring (zie ald.).
Zaligvruchtig, heilzaam.
Zalichvruchtich, Salutaire,   MELLEMA [1618].
  HEXHAM [1648].
  D'ARSY [1651].
  MEYER, Woordenschat [1669 1805].
Zaligzoet.
Blijf in uw schuldloos hert bewaren de zaligzoete onnoozelheid, zoo moogt gij (een communicantje) eens bij de englenscharen uitblinken in der eeuwigheid,   GEZELLE (ed. BAUR) 3, 44 [1893].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1993.