Koppelingen:
Vorig artikel: ZELDERLING Volgend artikel: ZELDZAAMHEID
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

ZELDZAAM

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: zeldzaam

ZELSEN —, bnw. en bijw. Mnl. seltsiene, selsen; nnd. seldsam; nfri. sel(d)sum; ode. sjældsom, zwe. sällsam (< mnd. seltsam). Op basis van de mnl. varianten sel(t)siene, sel(t)sen (nog sporadisch in de 16de e. aangetroffen), waarvan het oorspronkelijk op het ww. zien berustende tweede element tenslotte als suffix gevoeld werd, vormde zich met suffixsubstitutie selsaem (opgeteekend vanaf eind 15de tot in de 16de e.) en daarnaast seltsaem, zeldzaam (vanaf de 16de e.) (zie ook SCHÖNFELD 195). Voor zeld- zie men ZELDEN. Enkele, vooral noordoost., dialecten kennen den gereduceerden vorm zelsem (MOLEMA, Suppl. [1897], GUNNINK [1908], TER LAAN [1929]).
+I.  Bnw.
+II.  Bijw.
Afl. Zeldzaamheid (zie ald.).
Zeldzaamlijk, op zeldzame, bijzondere wijze. Sinds lang veroud., maar nog lang in de wdb. vermeld.
  DASYP. [1556].
  KIL. [1588].
  V. DALE [1872].
  KUIPERS [1901].
M. A, werd uutghesproken, wat wideachtigh gapende enz. L. … Nu de consonanten? M. De consonanten werden zeldzamelicker uutghesproken: maar haar namen canmen wel spellen,   J. LAMBRECHT, Spell. B i r° [1550].
Zeldzamig, bijzonder; op bijzondere wijze. Sinds lang veroud.
Hoe volhandich milt, en goedertieren hem den Hemel somtijden bewijst, in een eenigh Mensche, te storten zijn overvloedighe Rijckdommen der gratien, en gaven, dat wordt seldtsamich aen de ghenieters der selver ghesien, en gespuert,   V. MANDER, Schilderb. 117 a [1604].
Haere ghewonelicke ende ghecostumeerde lyberaelheijt, die niet minder en behoort te wezen tot conservatie ende onderhoudt van sodaneghen ende selsameghe ghestichten, als tot het upmaken van nieuwe keercken,   in Bull. Gesch. Gent 20, 148 [1609].
Vandaar: zeldzamigheid.
  DASYP. [1556].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1994.