Koppelingen:
Vorig artikel: ZEUREN III Volgend artikel: ZEURIG II

ZEURIGI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: zeurig

bnw. en bijw. Van zeuren (III) met -ig.
1.  Van personen of hun karakter: geneigd tot zeuren; steeds zeurend.
Sorigh, seurigh. Curiosus & molestus: percuriosus, plus iusto curiosus, morosus,   KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
— Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren; zij zijn meestal te zeurig,   GEWIN, Polsbroekerw. 80 [1841].
Ik heb … een zeurig en melancholiek temperament tusschenbeide,   V. EEDEN, Dagb. 1, 27 [1875].
Eigenlijk vond zij haar vervelend en onbeduidend, meestal slecht gekleed en zeurig,   COUPERUS, E. Vere 1, 59 [1889].
2.  Van iemands stem, toon, wijze van uiten, of van datgene wat door iem. geuit wordt: (als) van iem. die zeurt; vervelend; eentonig.
Het was … een slaperig, lamzalig onderrigt, regt zeurig, zonder de minste ontwikkelende opwekking,   KNEPPELH. 8, 215 [1857].
Wie over de laatste hoofdstukken ontevreden is, wordt verzocht z'n denkbeelden over taal, poëzie, kunst, zedelykheid en godsvrucht, eenigszins anders intekleeden dan met de betuiging dat ik zoo'n ”byzonder slecht mensch” ben, of met de seurige klacht over 't brandmerken der ”Vaderen”,   MULTATULI 7, 174 [1873].
Iets als eene wroeging omving hem dan wanneer hij Jeanne, alleen, boven met den dokter hoorde praten en Dora met haar zeurig stemmetje hoorde krijten, als het kind tegenstribbelde en zich niet wilde laten onderzoeken,   COUPERUS, E. Vere 1, 122 [1889].
Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon,   V. LOOY, Proza 250 [1889].
Alleen in èèn tent was 'n zeurig, blerrend gehuil van 'n zuigeling,   FALKLAND 1, 90 [1896].
Hij kwam eerst ter zake toen de secretaris zijn zeurige voorlezing even onderbrak,   BUYSSE, Rozeke 1, 67 [1905].
+3.  Langzaam, traag, treuzelig.
+4.  Somber; treurig; druilig.
5.  Van een (pijnlijk) gevoel: knagend; aanhoudend; vervelend.
Zeurig …; sourd (pijn),   GALLAS [1911].
— In de zeurige dofheid van haar afgetobd, heet hoofd, ging zij toch op dezelfde gedachte door,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 22 [1910].
Afl. Zeurigheid.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1994.