Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AVEELZAAD Volgend artikel: AVELAAF
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

AVEGAAR

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: avegaar

— daarnaast AVEGEER, en ook NAVEGAAR —, znw. m., mv. avegaars.
Benaming voor eene groote boor, dienende om wijde gaten te maken, en die door middel van eene dwarsstang wordt rondgedraaid. De vorm avegaar is door verlies van n (zie ADDER) ontstaan uit navegaar; mnl. navegaer; mhd. nabigêr, ohd. nabagêr (SCHADE 633); ags. nafegár, later nauger, eng. auger. Het is eene samenstelling van de woorden die thans Naaf en Geer luiden; zij beteekent eigenlijk: een scherp ijzer om gaten te boren in naven. De vorm avegaar met aa (voor oudgerm. ai) is eigenlijk Friesch, hij is ook doorgedrongen in Holland, naast het aldaar inheemsche avegeer. Reeds in 1843 heeft DE VRIES dit woord volledig verklaard (zie War. 90 vlgg.).
Bij het bevestigen van spoorstaven door houtschroeven op houten onderlagen, gebruikt men avegaars, welker diameter wordt bepaald naar de dikte der te gebruiken schroeven,   PIJTAK 15 [1848].
Een Passer, die meerder vernufts eyscht dan een Aviger, en min arbeydts,   VISSCHER, Sinnep. 29 a [c. 1600].
Een peerel met een avegheer te deur-boren,   DE BRUNE, Bank. 1, 76 [1657].
Doen lieten wy met een Navigaer rechten inden middel een gat booren,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 3, 38 a [1601].
Recht somen een scheepmaker aen een avigaer mach sporen, Die met beyde handen draeyt om haest een gat te boren.   COORNHERT, Odyss. 1, 59 b .
't Eerst dat ick weer wat doe, koomjeme dan daer op storen, Ick selje met ien avager de ooghen uyt de kop boren,   HOOFT, Ged. 2, 275 [1616].
—  Spreekw. Iemand met een avegaar door den neus boren, ”iemand groovelijk bedriegen” (V. WINSCHOOTEN, Seeman 4 [1681]).

Supplement bij AVEGAAR

Mnl. avegaer (DIRC V. DELF, Taf., Somerstuc 167 a [1404]; zie ook Mnl. W. op navegaer). In het Wvl. ave(r)geer (DE BO [1873]; V. KEIRSBILCK), in Veurne-ambacht ook navegeer (V. KEIRSBILCK); in het Ovl. evegeer (TEIRL.); samengetrokken vormen zijn agger en egger (V. KEIRSBILCK; TEIRL.; Mnl. W. op egger) eenerzijds en effer (BERGHUIS, Betimm. 32 [1892]; LINDEMANS, Hopt. [1928], voor Poperinge), ever (ENDEPOLS [1955]) anderzijds; het Zaansch kent een vorm auweger, auker (BOEKENOOGEN). Zie verder nog FRANCK-V. WIJK, en KLUGE op naber.
+1. 
Auegheer: Tarriere, tarault ou tarelle,   LAMBRECHT, Naembouck [1562].
Terebra … B. Een boir, een spijckelboir, een auigeer,   JUNIUS, Nomencl. 330 a [1567].
Avigher fland. j. spijcker-boor. Terebra,   KIL. [1588].
— Een timmerkist ende daerin: … 2 avagaers. 2 raemsagen enz.,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 62 [1659].
  WITSEN, Scheepsb. 185 a [1671].
Laat u avegaar vallen na u rechterhand een duim op de voet,   LINPERGH-DANCKERTS, Moole Boek 5 [± 1700].
De avegaar is eene groote en lange boor van boven met eenen ring voorzien voor de kruk,waarmede zij met twee handen wordt rondgedraaid,   MOSSEL, Schip 128 [1859].
Het middenstuk van het wiel wordt uit een goed, hard blok hout … gedraaid, waarna er het gat met avegaren wordt uitgeboord,   Boek d. Uitv. 4, 166 [1867].
De avegaar, welke laatste bij pionierwerkzaamheden veel wordt gebruikt voor het boren van gaten van belangrijke afmetingen,   Voorschr. Inr. Stell. II (1933), 19.
Samenst. Als tweede lid: bastaardavegaar, fretavegaar, schroefavegaar, sluitavegaar.
Als eerste lid. Avegaarboor.
Er zijn twee soorten avegaarboren, nl. met 1 spiraal en met 2 spiralen,   Bouwk. Encyclop. 156 a [1954].
Avegaarboorijzer.
  Besl. v. 24 Juli 1935 (Stbl. 427), blz. 42.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.