DOKKENI
Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)
Modern lemma: dokken
bedr. en onz. zw. ww. Verwanten zijn, behalve ndd. duk, mhd. tuc, slag, en oostfri. duken, slaan, stooten, niet bekend. Gewestelijk kent men in Z.-Ndl. ook een vorm Djokken.
↪1. Stooten, duwen, vroeger ook: slaan.
Docken. … Dare pugnos, ingerere verbera,
KIL.
↪2. Door tasting onderzoeken, betasten. In Zeeland.
Meekrap dokken.
poëem WNT
↪3. Reiken, geven. In dit gebruik verouderd.
Dok my elk een pootje. Dat gaat je voor (Kantt.: Jan Los neemt de twee Juffertjes by de hand, en gaat al zingende en dansende in huis),
ALEWIJN, J. Los 37 [1721].
Waar blyft myn wyf? … Wie weet, hoe zy me zal ontfangen, Omarmen, en vast blyven hangen Aan 't smoelwerk, als ik maar eens dok Een mokkel aan die hongerbrok?
40.
+↪4. Bepaaldelijk van geld. Geven, betalen, opbrengen. Naar het schijnt heeft het woord steeds een gemeenzamen en eenigszins comischen klank gehad. Thans beteekent het bepaaldelijk: met tegenzin betalen.
S. Es den bucht uut zo willen wy sceeden. Niet langher Goet Gheselscip dan tghelt gheduert. C. Die niet en mach docken men crycht zyns verleeden,
EVERAERT 18 [1509].
Om dat ick gheen payment weet meer te docken,
in Tijdschr. 14, 124 [1541].
Laet huer de vryheyt toe om wat met hem te jocken, So sal sy hem met list een groote som doen docken,
BREDERO 2, 125 [1615].
Daar 's by de Koppelaars een vaste prys gezet Omtrent een Ouwe die genegen is te paaren, Zy moeten dokken, vast! de prys na haare jaaren,
DE WIT, Wynoegst 18.
Zes gulden en twaelf stuivers …, die ik … veur de lootjes en het bestellen van deuze plaetzen heb moeten dokken,
4, 140.
↪— Zonder object in den zin van: heel wat betalen, over den brug komen.
'k Hebber een vond op, hy moet wel betaalen. … Hy moet dokken, 'k zal hem villen gelyk als de Plooter het Schaap,
V. HALMAEL 1³, 23.
't Gong dan hoe het gong, het kwam waar van het kwam, Denkwel moest dokken, voor het eerst gebooren Lam; Voor d'eerste maal Papatje,
BERKHEY, Akad. Vert. 31.
↪1. Stooten, duwen, drukken. Het gebruik in de aanhaling is van bijzonder beland voor het begrijpen van den samenhang tusschen de bet. A, 1), 3) en 4).
Als ge weer in Spanje wilt, moet ge betalen: twaalf pesetas! En hij dokte met zijn rechterduim in zijn linkerhandpalm om het mij duidelijk genoeg te maken,
BUYSSE in Gr. Nederl. 1911, 1, 556.
3. Schieten met vooruitbrengen van de hand, met een schok, bij het knikkeren. Gewestelijk in Z.-Ndl., zie DE COCK en TEIRL., Kindersp. 5, 24 [1905].
4. Een spel spelen, daarin bestaande, dat men een aantal boomen, met een kolfbal, in zoo weinig worpen mogelijk zoekt te raken (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 2, 139 [1903]).
5. Dokken wordt ook opgegeven in den zin van: tegennatuurlijke ontucht plegen. Naar alle waarschijnlijkheid is het in deze bet. hetzelfde woord als in de boven behandelde.
Afl. Dok (zie ald., 1ste art.).
Samenst. afl. Driedok, tweedok, worp in het onder B, 4) genoemde spel, waarbij men drie of twee boomen raakt (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 2, 139 [1903]).
Samenst. Afdokken, opdokken, overdokken en uitdokken (zie die woorden).
Aanvulling bij
DOKKENI
↪Afl. Dokkelen, (met bloote voeten) door water waden; pootjebaden. Gewest.
Paieren: (Z.-Vl.) met opgestroopte broekspijpen te water gaan. Op Z.-Beveland baieren = baden, waden, baggeren, ook door modder of sneeuw. In de Meierij heet dit dokkelen,
HERMANS, Jagerswdb. 267 a [1947].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.