Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DOKKEBLAD Volgend artikel: DOKKEN II
Etymologie: EWN

DOKKENI

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: dokken

bedr. en onz. zw. ww. Verwanten zijn, behalve ndd. duk, mhd. tuc, slag, en oostfri. duken, slaan, stooten, niet bekend. Gewestelijk kent men in Z.-Ndl. ook een vorm Djokken.
+A.  Bedr.
+B.  Onz.
Afl. Dok (zie ald., 1ste art.).
Samenst. afl. Driedok, tweedok, worp in het onder B, 4) genoemde spel, waarbij men drie of twee boomen raakt (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 2, 139 [1903]).
Samenst. Afdokken, opdokken, overdokken en uitdokken (zie die woorden).

Aanvulling bij DOKKENI

Afl. Dokkelen, (met bloote voeten) door water waden; pootjebaden. Gewest.
”Dokkelen” beteekent: aanhoudend met de bloote voeten in het water, bij voorkeur in een niet te diepe sloot, plassen, zoodat de ”spettels” omhoog spatten,   Hs. Lett. 1756, n° 15, 2, 13 [Langstraat, 1899].
Paieren: (Z.-Vl.) met opgestroopte broekspijpen te water gaan. Op Z.-Beveland baieren = baden, waden, baggeren, ook door modder of sneeuw. In de Meierij heet dit dokkelen,   HERMANS, Jagerswdb. 267 a [1947].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.