Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: TRANUTSELEN Volgend artikel: TRAP II
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

TRAPI

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: trap

TRAPPE, TREPPE, —, znw. m. en vr., mv. -pen. Gewest. komt de vorm trappe nog voor (V.D. HEYDEN, Zittesjen A.B.C.; JONGENEEL; V. WEEL; BOSCH, Heerder Wdb.; GUNNINK), en treppe (GALLÉE). — In de bet. A) is het geslacht alg. m., een enkele maal vr. (b.v. COUPERUS, St. Kracht 1, 144; C. HUYGENS Jr., Journ. 3, 104 [1649]), in de bet. C) in N.-Nederl. alg. vr., in Z.-Nederl. en Limb. veelal m. (V. BEUGHEM, Gesl. znw. zndl. Dial. 30 [1934]. ENDEPOLS [1955]). — Het gron. kent het dubbele mv. trappens (zie onder B). — Naast trapje komt het verkl. trappetje voor (b.v. V. LOOY, Jaapje 61 [1917] en 192; V. EYK, Spookdilig. 36; DEN OUDEN, Vacantie i. d. Bovenl. 137; Crit. Filmbull. 7, 79 c).
Mnl. trap, trappe; mnd. trappe, treppe, troppe, nnd. trap, trappe, trepp(e); ofri. treppe, nfri. trap(pe), trep(pe); mhd. trap, trappe, treppe, nhd. treppe. Van trappen (I) en verwant met of hetz. als trap (II)-(V); verg. ook trap (VII).
+A.  Als enkelvoudige aanduiding in den zin van lat. gradus.
+B.  In den mv.-vorm.
+C.  Als enkelvoudige benaming in den zin van lat. scala.
Afl. Getrapt.
Trappigheid (9, c); bij MONTANUS, wsch. zooveel als: accentverdeeling.
De Eigenschappen der Reedenleeden die uit de Deelen ontstaen, zijn haerder Deelen, 1 Getal, 2 Orde, 3 Trappichheit, 4 Vereeniging,   Spreeck. 154 [1635].
Kopp. Slinger-om-de-trap.
Trap-af; verg. boven onder 17, d). Vaak in verb. met trap-op. Ook wel trapje-af, en trappenaf (zie beneden onder trap-op).
Noortje kwam haastig trap-af trippen,   ROBBERS, Gel. Fam. 367 [1909].
Trapsgewijs, Trapsgewijze (zie ald.).
Trap(pen)klimmen.
Hij (was) door het trappenklimmen buiten adem,   DE WAKKER V. ZON, Twee-en-dertig W. 2, 265 [1805].
Het is, dat hij vanmiddag al zo'n serie van bovenste verdiepingen bezocht heeft, welgeteld tien maal drie trappen van omtrent vijf en twintig tot dertig treetjes per geval, en dat zulk trapklimmen geen gelijke tred houdt met het klimmen zijner jaren,   V. VELDHUIZEN en V. IEPENDAAL, De Trap 29 [1952].
Trap(pen)loopen.
Op het divan-bed in de beneden-voorkamer van haar buitenhuis, waar zij sinds men haar het trappenloopen verbood dag en nacht verblijft,   NAEFF, Stolk 193 [1936].
Korte, rechte trappen van slechts een halve verdieping stijghoogte, zodat de bezoeker — ondanks het feit, dat er twaalf lagen aanwezig zijn — nergens het gevoel krijgt van veel trappen te moeten lopen,   N. Rott. Cour. 22 Sept. 1955, 7.
Trapneer (niet alg.); verg. boven onder 17, d). Aangetroffen in verb. met trap-op (zie beneden).
Trap-op; verg. boven onder 17, d). 1°. Met bijw. functie; in het bijz. in verb. met trap-af, resp. trapneer om aan te geven, dat men voortdurend trappen op en af moet. Zie ook Dl. XI, 306-307. Ook wel trapje-op, en trappenop.
Trap op, trap neer, duidt aan, dat men gestadig langs trappen op en nederklimmen moet: het is daar in huis trap op, trap neer,   WEIL. [1810].
— De Ridder trad vast … Met zijn geliefde Aspasia, Trap op, trap op, naar binnen,   FEITH 12, 207 [1782].
  STARING 1, 138 [1820].
Ongesteldheden, die werkelijk van eenigszins ernstiger aard waren, in zoo verre namelijk, dat zij de oude vrouw verhinderden, met zoo veel gemak als anders … trap op trap neêr, van haar zitkamer naar den zolder, van daar naar de kelder, en van de kelder naar de proviziekamer te trekken,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 343 [1865].
Een huis mee trappen op of trappen af,   LIEV.-COOPM. [1953].
Lopen met Pappa en meneer H. trapje op, trapje af door het dorp met de nauwe kronkelstraten en de huizen als vestingen,   CLARE LENNART, Stad met rose Huizen 85 [1954].
In zwarte japonnetjes met witte vlinderschorten, altijd keurig gekapt, draafden de meisjes trap op trap af door het uit vele zalen en zaaltjes, hoeken en nissen bestaande etablissement,   191 [1954].
Hoeveel hartkwalen zijn er niet te wijten aan dat eeuwige trapop, trap af?,   Weekbl. Uitkijk 30 April 1955, 4 b.
2°. (Z.-Nederl.) Als voorwerpsnaam. Stoep met een of meer treden.
Dat huis hee nen trapop,   TEIRL. [1922].
  CORN., Bijv. [1936].
  LIEV.-COOPM. [1953].
Trappenschuren; verg. boven onder 14), Zegsw. 3°.
Dat de handen in 't borduren, In het razend trappenschuren … Door dit vreeselijk venijn Heel en al verhinderd zijn,   BILD. 12, 411 [1779].
't Muzijk van 't lieflijk trappenschuren,   V. ZEGGELEN 5, 173 [1849].
Samenst. afl. Als tweede lid: de reeks samenst. afl. van het type hoofdtelw. + trap + -ig met de bet.: gekenmerkt door of bestaande uit x trappen (b. v.: het … 17-trappige arabische toonstelsel, Mensch en Melodie 1, 20 a [1946])).
Als eerste lid:
Trappenbouwer (17); zie ook onder Trappenmaker.
  V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
Trappenfraiser (17).
Trappenfraiser. Met een machinale handfrais langs een geleider inkepingen in trapboomen maken, waarin de treden en stootborden worden ingelaten,   Beroepeninventarisatie 9, 18 [1946].
Trappenkijker (?) (veroud.), benaming voor een zekere soort van binnenschip.
Trappekykers. Aak-scheepen aan den Rhyn: gelyk mede aldaar Beijer-aken, en Byler-aken zyn,   WITSEN, Scheepsb. 617 b [ed. 1690].
Trappenmaker (17).
Trappenmaker, ook Trapmaker …, wordt enkel gezegd van de ambachtslieden die houten trappen maken; terwijl trappenbouwer meer betrekking heeft op die welke steenen trappen bouwen,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
Trappenmaker. Aan de hand van een teekening een uitslag voor een trap maken, dezen uitslag op hout afschrijven … en den trap ter plaatse stellen en aftimmeren,   Beroepeninventarisatie 9, 10 [1946].
— Hindrik Mulder, trappenmaker,   Ned. Staatscour. 27 Mei 1932, blz. 5 a.
Trappenmakerij (17).
”Amettas” Nederlandsche Electrische Timmerfabriek en Trappenmakerij,   Ned. Staatscour. 16 Juli 1925, blz. 3 b.
Samenst. Als tweede lid: Achtertrap, aftrap, afdammingstrap, altaartrap, badtrap, betontrap, bijtrap, binnentrap, bordestrap, boventrap, brandtrap, breuktrap, breuklijntrap, briljanttrap, buitentrap, burentrap, cultuurtrap, daltrap, diensttrap, draaitrap, eeretrap, gangtrap, geveltrap, glorietrap, grondtrap, haartrap, hoftrap, hoofdtrap, huistrap, huishoudtrap, kajuitstrap, kampagnetrap, keldertrap, keukentrap, koortrap, kunsttrap, kwartslagtrap, langtetrap, lettertrap, levenstrap, lidtrap, middeltrap, muizentrap, nedertrap, neventrap, noodtrap, ondertrap, onderhuistrap, ontwikkelingstrap, optrap, oppertrap, oxydatietrap, pakhuistrap, paradetrap, Pilatustrap, roltrap, rotstrap, scheepstrap, schroeftrap, slingertrap, snedetrap, spiltrap, sprongtrap, stadhuistrap, statietrap, stationstrap, steektrap, steegertrap, steigertrap, stemtrap, stoeptrap, tegentrap, tempeltrap, toontrap, tooveressentrap, torentrap, trouwtrap, tuintrap, tusschentrap, tusschendekstrap, valreep(s)trap, vergelijkingstrap, vlieringtrap, vrijtrap, waagtrap, waschtrap, watertrap, watervaltrap, wenteltrap, winkeltrapje, woonhuistrap, woordtrap, zangtrap, zijtrap, zoldertrap, zonnetrap.
Bovendien is er het type hoofdtelw. + trap + -s + znw. (verg. b.v. TON (I), Samenst. enz.) (b. v.: 4- of 5- trapsschakelaar, SARELS V. RIJN, Koken 505 [1951])).
Als eerste lid:
Trap(pen)aanleg (17).
Om voldoende hoogte te verkrijgen in de inwendige ruimten werd de vloer van den kooromgang plaatselijk 0,82 m verhoogd, waardoor een trappenaanleg in den omgang en tusschen de kolommen noodig werd,   V. D. KLOOT MEYB., N. Kerk 108 [1941].
De gekozen gang- en trapaanleg,   N. Rott. Cour. 22 Sept. 1955, 7.
Traparm (17), het geheel van een aantal in rechte richting op elkaar volgende treden, die tezamen een gedeelte van een trap uitmaken.
  BERGHUIS, Betimm. 278 [1892].
Wanneer een doorloopende trap door bordessen gescheiden wordt, noemt men elke dezer afdeelingen een traparm,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 367 [1897].
Twee traparmen leidden naar een bordes vanwaar één trap doorklom naar boven en uitkwam midden in de eerste verdieping,   V. OERLE, in Leidsch Jaarb. 35, 171 [1943].
Een bordes (wordt) toegepast in plaats van een spiltrap om twee traparmen loodrecht op elkaar te doen staan,   Bouwk. Encyclop. 2, 507 b [1955].
Trapbaluster (17), elk van de spijlen waarmee de leuning van een trap op de treden rust.
De zware, fraaie trapbalusters met hun ionische kapiteelen,   Eigen Haard 1880, 65 b.
De geest van het abstracte beeldhouwwerk drong door in kleine plastieken b.v. als snijwerk aan trapbalusters enz.,   VRIEND, Bouwk. v. ons Land 3, 126 [1950].
Trapbalustrade (17), samenstel van leuning en spijlen als zijdelingsche afsluiting van een trap.
  ZWIERS [1920].  Bouwk. Encyclop. [1955].
Trappenbemaling (1 of 11) (bouwk.).
Trappenbemaling van bouwputten e.d. is een methode van bemaling, waarbij de verlaging van de grondwaterspiegel wordt bereikt door meer rijen putten of bronnen achter elkaar op verschillende hoogte,   Bouwk. Encyclop. [1955].
Trapbenaming (12, b), benaming volgens de onderscheiden levensperioden. Op de volg. plaats.
Moet men daar van denken, dat de Apostel die verscheydene trapbenamingen (t. w.Vaders”, ”jongelingen”, ”kinderen”) gebruikte, om seker te gaan in sijn schrijven an hun?   SCHORTINGHUIS, Inn. Chr. 171 [1740].
Trapberd (1) (zndl.); als verkl. trapberdeke; hetz. als Trapplank.
  LIEV.-COOPM. [1953].
Trapbetimmering (17).
Trapbetimmering. De houtconstructies, die tot afwerking en versiering eener trap, aan of op, boven of onder de boomen worden aangebracht,   ZWIERS [1920].
De leerling leert … het behulpzaam zijn bij het maken van trappen, leuningen en trapbetimmeringen,   Ned. Staatscour. 10 Juni 1943, blz. 2 b.
Trapbint (17) (molenb.), het gebint aan de achterzijde van het bovenhuis van een wipmolen, waar de trap tegen rust.
Nog vertoont het (zekere plaat) agter- of Trap-bint in malkander gewerkt, en met Schort-Ankers verbonden,   V. ZYL, Molenb. 1, 5 b [± 1795].
Vorders vertoont zig de gehele bewerking, zo van Daklyst, Steenlyst, Kruyssen, Manders, en Regels, ook de plaatsen van de Balken zo in het Storm- als Trap-Bint,   1, 6 [± 1795].
Fig. 3 stelt voor het trapbint van het bovenhuis en het achterste spant er op uitgelegd,   HARTE, Molenb. 80 a [1849].
Trapboom (1), elk van de zijstukken waartusschen de traptreden op- of ingesloten worden. Verg. mnl. trapboom.
Die trapbomen sullen lang wesen naden eysch vant werck, die onderste ses duym viercant, die bovenste vijff duym viercant, die trappen lanck twee voet drie duym tusschen die trapboomen in,   Uit het bestek v. e. watermolen (hs. Assendelft) [1634].
De trapboomen en courpes van den Royaele trap in de Vestibule tot aen de bovenste Etage verwen eenmaal,   bij V. NISPEN T. SEV., Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 1, 104 [1786].
Wanneer onder een' trap eene deur zal worden geplaatst, moet de trapboom volstrekt de deuropening niet belemmeren,   V. LITH, Trappenboek 9 b [1854].
(Bij het leggen van linoleum op trappen is) zuiver aansluiten bij de trapboomen en stootborden … uiteraard een eerste vereischte,   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 107 [1947].
Trapbordes (17), overloop tusschen twee traparmen.
Door een voorportaaltje zijn steeds de vertrekken van het trapbordes gescheiden om het indringen van onbescheiden blikken te verhinderen,   Bouwk. Weekbl. 1896, 249 b.
Lord T. beklom de laatste trede van de breede trap die rees uit het midden van de hall, nu stond hij op het trapbordes,   PHILIPS, Oogenblik 33 [1935].
Onder de kelderkamer is de kelder, welks deur zich onder het trapbordesje bevindt,   DE HAAN, Oud Bat. 463 [1935].
Trapborstel (1 of 17). Niet alg.
Trapbö(r)stel. Ruwe borstel met korten steel, dienende om de trappen af te schuren,   CORN.-VERVL. [1903].
Trappenbouw. 1° (17).
Wij laten hier eenige algemeene opmerkingen omtrent den trappenbouw volgen,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 365 [1897].
Men staat hier — en elders — als het ware boven het vlakke decor, maar nog steeds in een aarzeling tusschen een vast onveranderlijk tooneel … en de gedurige verandering, trappenbouw, zuilen, gordijnen, die behouden is van het decortooneel,   WERUM. BUNING, Tooneeldecor 24 [1923].
  HUNNINGHER, Een eeuw Ned. toneel 177 [1949].
2° (23) (mijnb.).
Voor de steil staande ertsgangen is als winningsmethode de trappenbouw, in Duitsland ”Firstenbau” genaamd, zeer gebruikelijk,   E.N.S.I.E. 7, 234 b [1950].
Trappenbouwkunst (17).
  V. LITH, Trappenboek 3 [1854].
Trapbreedte (1 of 17), breedte van elk van de traptreden.
Trapbreedte. Afstand tusschen de trapboomen, van binnenzijde tot binnenzijde gemeten,   V. KEIRSBILCK, Timm. [1898].
Trapbreedte. In de meeste bouwverordeningen zijn eisen opgenomen, waaraan trappen in woningen moeten voldoen. Daarbij zijn doorgaans ook de minima voor trapbreedten genoemd,   Bouwk. Encyclop. [1955].
Trapbreuk (23) (geol.), trapsgewijze verschuiving.
  RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 87 [1929].
Is de bewegingsrichting van de tusschen meerdere breukvlakken gelegen schollen in een gegeven richting steeds dezelfde geweest, dan spreekt men van trapbreuken,   Kath. Encyclop. 6, 218 [1934].
  ESCHER, Alg. Geol. 240 [1948].
Trapbrug of trapjesbrug (17, resp. 1), brug, aan beide zijden voorzien van treden.
Trots haar trapbruggetjes en vaderlandsche grachten, Is steeds ons stadje vol van oostersche gedachten,   DE GÉNESTET 2, 155 [1858].
Een trapjesbrug spande verderop kranig haar ruggestreng over de gracht,   BORDEWIJK, Korenharp 94 [1946].
Trapbuffet (23), trapvormig opgebouwd buffet. Op de volg. plaats. Verg. trapjestafel en traptoog.
Stel u een erfhuis voor, of wel een Joodenkraam, Die porcelein bevat voor drie geslachten t' saam. Een soort van trapbuffet …; Daar zaagt ge een aarden schat van onwaardeerbren prijs, Gestapeld op elkaar piramidaals gewijs,   DE LANNOY, Dichtw. 65 [1777].
Trapcirkel (17), elk van de cirkelvormige figuren, te zien in het vertikale perspectief van een wenteltrap.
  Onderschrift bij een foto [1955].
Trap(pen)constructie (14 of 17).
De aansluiting van deze boomen tegen de bordessen en zolderbalken vereischt veelal meer voorzorg dan bij de gewone trapconstructie,   BERGHUIS, Betimm. 292 [1892].
De reusachtige (in de rotsen uitgehouwen) trappenconstructies,   Natuur en Vernuft 291 [1916].
Trapjesdak (7) (gewest.), zekere soort van rietdak; zie verder de aanh. Zelden in de Kempen.
Sporadisch komt in onze Kempische gewestspraak het woord trepkensdak … voor. Bij zo een boerendak verspringen de opeenvolgende deklagen evenwijdig met de druplijn in trepkens die gedeeltelijk elkaar overdekken. De zichtbaar gelaten laaguiteinden … zijn scherp hoekig geschoren,   C. TREFOIS (in een brief) [1956].
Trapdeur (17), deur die toegang geeft tot een trap.
Juffrou Daetselaer rukte terstont een trapdeur op en wees hem naer een bovenkamer, daer ze hem nevens zyn dienstmaegt volgde,   BRANDT, De Groot 248 [1696].
”Is 't de kat niet, die daar de trap oploopt, met iets in 'r bek?” ”Ik zal reis gaan kijken,” zei Bet. En terwijl Bet … naar achteren gegaan was en, met het hoofd door de trapdeur, ”Poes! poes!” riep, daar snelde Nicolette … de voordeur uit,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 329 [1865].
De ijzeren trapdeurtjes ratelden in de harde wind,   DEN DOOLAARD, Verj. W. 306 [1947].
Trapdijk (7 of 23), trapvormig oploopende dijk. Op de volg. plaats. Verg. trapjesglooiing.
Zij maecken heuren dijck al met trappen opgaende tot aen de cruijne toe, elcken trap (van de) hoochte van IIe oft IIIe voeten, waertegens de zee dan cracht heeft mitsdien de steijlte het water zijn spelen benomen heeft, soodat alle de crompte aen den ouden dijck … overvallen moeten wesen deur het breken van den trapdijck, want de steijlte maeckt twater cracht hebbende ende in elcke steijlte van de trappen het water resistentie ende steijlte vindt,   VIERLINGH, Tract. v. Dijck. 301 [± 1578].
Trapemmer (17), emmer die gedeeltelijk afgeplat is, waardoor hij meer steun vindt op een trap.
Trapemmer, emmer niet geheel rond, maar met een platte zijde, zoodat hij op de trap kan gezet worden: bij schoonmaakster, werkmeiden, om de trap mee te doen,   Aant. v. A. BEETS. Uit een prijscourant van huishoud. art. [Leiden, 1896].
  als voren [1919].
Trapjesfaçade (4), hetz. als trap(jes)gevel (zie ald.). Op de volg. plaats.
  V. D. VEN, Neerl. Volkslev. 160 [1920].
Trapfunctie (9) (wisk.); zie de aanh. Verg. in dez. bet. hd. treppenfunktion.
Trapfunctie. Onder trapfunctie verstaat men gewoonlijk een functie, die slechts eindig vele waarden aanneemt. Soms eist men, dat deze waarden eindig zijn,   Kath. Encyclop. [1954].
Trapgang. 1° (17). Gang waarin zich een trap bevindt. Ongewoon.
In den trapgang des huizes bleef hy staen en luisterde met smart op de klagten van een meisje die, op eenige treden van hem, voor de buitendeur der zael scheen nedergeknield,   CONSC., Kwael d. T. 2, 29 [1859].
Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was,   DE MEESTER, Geertje 1, 46 [1906].
Middenstandswoningen … Bevattende: Parterre: Woonkamer, eethoek, keuken, toilet; etage: 3 slaapkamers, douchecel, benevens zolder over het gehele huis met normale trapgang,   Uit een advert. [1956].
2° (23) (mijnb.). Ertsbank die onderbroken wordt door een gang van ertsloozen steen.
  V. DALE [1898].
Trapgat (zie ald.).
Trapgedeelte (17).
Het passnijden van de benoodigde stukken linoleum voor een rechte trap of althans voor een recht trapgedeelte,   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 108 [1947].
Een aansluiting … tussen twee trapgedeelten die niet in dezelfde richting lopen,   Bouwk. Encyclop. 1, 239 a [1954].
Trapgeld (17) (veroud.), geld verschuldigd voor het onderhoud van gemeenschappelijke trappen.
Trapgeld. Geld dat betaald word tot het onderhouden van de gemeene trappen,   HALMA [1729].
  WEIL. [1810].
Trapgeluid (6), interval van een heelen of halven toon volgens de diatonische reeks. Alleen aangetroffen bij BAN.
Het klimmen ende daelen van den stemme, het welke geschiet met Trap-geluyden als zyn Ut, Re, Mi, Fa, Sol, La, ende Spronghgeluyden gelyk zyn den Drielingh, Ut, Mi, den Vierlingh Ut, Fa: den Vyflingh Ut, Sol,   Zanghbl. H x 1 r° [1642].
De sprongen van de stem worden gekent daer uijt, dat men van het eene geluijdt tot het ander gaat, soo datter een ander off meerder Trapgeluijden thusschen gevoeght werden,   in Tijdschr. N.-Ned. Muziekgesch. 1, 99 [1642].
Trapgevel (zie ald.).
Trapgewelf (17).
De trapgewelven zijn … met rosetten, kopjes en schildjes versierd,   Oudheidk. Jaarb. 1, 105 [1921].
Trapgezang (1 of 17) (R.-K. eeredienst); zie de aanh. en verg. trappsalm. Ook: trapzang (zie beneden).
Graduale (trapgezang, omdat men voor het zingen ervan de ambo besteeg),   Encyclop. Kerk. Wdb. 242 [1938].
Trapjesglooiing (7), glooiing van trapsgewijs aangebrachte betonplaten, dienende om de golven te breken. Verg. trapdijk.
  ZWIERS [1920].
Glooiingen van gewapend beton, als platen tussen betonbanden, de z.g. trapjesglooiingen, zijn omstreeks 1910 toegepast in Zeeland door de Muralt,   E.N.S.I.E. 9, 29 a [1950].
Trapgraf (17), door V. GIFFEN uitgedachte benaming voor zekere hunebedden waarvan de toegang gevormd wordt door een trap.
Ter onderscheiding van de … door ons … gemaakte onderscheiding in poort- en portaalgraven, zouden we bovenstaanden grafkelder een ”trapgraf” willen noemen,   Hunebedden 2, 25 [1927].
Trapgrond (17), plattegrond van een trap.
  V. DALE [1914].
— De breedte der treden zoude … 24 duim moeten zijn, indien de ruimte van den trapgrond dit toelaat,   V. LITH, Trappenboek 8 b [1854].
Men onderscheidt ze (wenteltrappen) vooral naar den vorm, dien de binnenboom in den trapgrond beschrijft,   BERGHUIS, Betimm. 281 [1892].
Traphaak (17); zie de aanh.
De langs den muur gestelde kwartierboom bevestigt men daartegen met ijzeren houvasten of zoogenaamde traphaken, zoo ook de aan die zijde gestelde leuning,   PIJTAK 297 [1848].
Traphaal; op de volg. plaats; de bet. is niet duidelijk.
Een eisere hotte, eenen hael, traphael enz.   (uit een inventaris), in E. Schoon en Brab. 34, 240 [1951].
Trap(pen)hal (17), min of meer groote, volgens de bouwk. terminologie centraal gelegen ruimte, waarin een of meer trappen geplaatst zijn.
Traphal is een trappenhuis dat min of meer in het midden van een gebouw is geplaatst, waardoor de vertrekken van de verschillende verdiepingen direct op het trapportaal uitkomen,   Bouwk. Encyclop. [1955].
— De wanden van trappen en trappenhallen zijn … betegeld,   SLOOTMANS, in Ned. Archievenbl. 43, 162 [1936].
Door een klein vensternisje kijkt men in de achtergang, die loodrecht op de traphal ligt,   in Vrouw en h. Huis 34, 16 [1939].
Mijn moeder riep ongeduldig in de traphal of we wellicht vandaag niet aan tafel zouden gaan?   BRULEZ, Pakt 98 [1950].
Wat nog min of meer trapkooi was, wordt allengs tot trappenhuis, ja trappenhal,   HASLINGHUIS, Bouwk. T. 360 a [1953].
Traphek (17).
1°. Hek als zijdelingsche afsluiting van een trap.
  ZWIERS [1920].
De trap bestaat uit de bòme, de stòòtborde en de tree. Tegen de muur zit de leuning en aan de andere zijde staat het traphekje,   DAAN, Wier. 157 [1950].
Trappen- en trappenhuishekken van spijlen van ijzeren buis,   Uit een prospectus [1954].
2°. Hekje dat een trap beneden of boven afsluit. Gewoonlijk als verkl.
Het trappenhekje … Dit hekje vindt men op de bovengangen of bordessen, om te verhinderen, dat kinderen langs de trappen zullen afvallen,   BERGHUIS, Betimm. 202 [1892].
  V. KEIRSBILCK, Timm. [1898].
  ZWIERS [1920].
Traphelling (17).
De traphelling mag, om gemakkelijk begaanbaar te zijn, niet te groot … noch te klein zijn,   Bouwk. Encyclop. 2, 507 a [1955].
Traphoek (17), zekere soort van klem om traproeden te bevestigen.
Traphoeken, die door hun vorm er toe bijdragen, dat er tusschen de roeden en de stootborden meer ruimte beschikbaar blijft voor het looperweefsel,   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 162 [1947].
Trapholte (17), zooveel als trapgat.
Langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar (een poes) op van het vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam, over haar en mij,   V. LOOY, Proza 254 [1889].
Traphoren (17), zekere soort van schelp, ook trap genoemd (zie onder 25).
Traphoren, slak in den vorm van een wenteltrap (Scalaria),   VERSCHUEREN [1940].
  V. DALE [1950].
— De kleine mooie soorten (van inheemsche schelpen) als b.v. tepelhorentjes (Natica), traphorentjes of wenteltrapjes (Scalaria) … worden veel op doosjes en omlijstingen tot versiering vastgelijmd,   J. DE LANGHE, in Biekorf 38, 132 [1932].
Traphout (17) (molenb., gewest.), rechtopstaand stuk hout, dat de trap ondersteunt en waar de staart op rust.
  CORN.-VERVL. [1903].
  JOOS [1900-1904].
  LIEV.-COOPM. [1953].
Trappenhuis (zie ald.).
Trapijzer; op de volg. plaats; de bet. blijkt niet.
Gelast ende gelenght een trapyzer, StedeWerken,   bij LIEV.-COOPM. [1725].
Trapjaar (12, b), elk zevende of negende jaar van het menschelijk leven, welke gekenmerkt zouden zijn door een merkbare wijziging in het gestel
groot of hoofdtrapjaar, het 63ste en 84ste levensjaar.
Climacterici Anni; 't welk men door Trapjaaren zoude kunnen verduitschen … Dusdanig noemt men gewoonlijk die jaaren van 's menschen leeven, welke de zevende of de negende zijn,   CHOMEL 392 a [1768].
  BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
  HEREMANS [1869].
Trapjaar, ieder zevende jaar van 't menschelijk leven, in 't welk men meende dat er eene merkelijke verandering in 't menschelijk lichaam voorviel,   V. DALE [1872].
— Een jong Dronkaart sterft veeltyts … door een langzaam vergift: hy kent geen voldoening der jeugt … en is in zyn Trapjaar van 35 stokout of afgeleeft,   WEYERMAN, Rott. Hermes 250 [1721].
Het 63e en 84e jaar noemt men groote trapjaren,   V. DALE [1872].
Trapkamer (17); in de volg. aanh. wellicht een vertrek onder (zie boven onder 17, c) of halverwege een trap; verg. t.a.p. ”de kamer van de trap”.
Een tafelkleed op de trap-kamer,   in Rotterd. Jaarb. 1917, 87 [1690].
Trapkant.
1° (4) Zijde van een trap in de aangegeven bet.
Een baksteenen trap-topgevel … met aan elken trap-kant een overhoekschen pinakeldrager,   MIELARET, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 2, 65 [1937].
2° (17) Metalen band welke in bepaalde gevallen aan den voorkant van de treden van een trap bevestigd wordt.
  Uit een advert. [1940].
De voorkanten der treden moeten ter bescherming van de voorkanten van het linoleum voorzien worden van koperen trapkanten … Deze trapkanten zijn verkrijgbaar in verschillende profielen, terwijl zij ook als platte koperen banden in den handel zijn,   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 107 [1947].
Trapkast (17), deel van een gebouw, waarin een trap geplaatst is; bij V. DEYSSEL in den gekunstelden vorm trapkasting.
  V. PUYVELDE, in Med. V. A. 1923, 787.
— Door een opene deuring onder de trapkasting tegenover de voordeur in het beneden-portaal, kwamen zij in de groote gangen,   V. DEYSSEL, Kl. Rep. 1, 16 [1889].
Toen ging zij tot aan de trapkast — bellen wou ze niet, zij wilde Mietje niet tot getuige hebben — en beval met eene stem, waaraan het haar gelukte een kalmen toon te geven, dat men eens den dokter halen zou,   LOVELING, Idon. 211 [1891].
Plaat II … en plaat IV … geven aan, hoe de rollagen der groote spaarbogen in den Zuid-Oosthoek blijkbaar tegen een vroegeren uitbouw — de oorspronkelijke steenen trapkast — dood liepen,   Bull. Oudh. Bond 12, 63 [1919].
Trapklamp (17); zie de aanh.
TreppKlampen. Holl. Trap-Klampen. … Engl. Steps which are nailed on the gang-way whereby to ascend or descend the ship's sides,   RÖDING 1, 850 [1794].
  TER REEHORST, Wdb. d. Zeet. [1845].
Trapkleed (17) (veroud.), traplooper.
  WEIL. [1810].
Trapkleeden, Treppenteppiche,   NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. 166 [1821].
Trapkleed, looper,   BOMHOFF [1857].
Trapkoker (17), kokervormige of op een koker gelijkende ruimte waarin een trap is geplaatst.
  HASLINGHUIS, Bouwk. T. [1953].
— De noordwand bevat den toegang tot een in de muurdikte uitgespaarde trapkoker, onderaan achthoekig, op 3.30 M. hoogte rond van omtrek,   HASLINGHUIS, in Oudheidk. Jaarb. 6, 129 [1926].
De B.'s klas stond open. Hij loensde er heen door den trapkoker,   BORDEWIJK, Bint 11 [1934].
(Zekere toren) heeft in het midden van zijn zuidwand een vierkant uitgebouwden trapkoker,   MIALARET, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 2, 147 [1937].
Ze deed open. Door den trapkoker zag ze omlaag een figuur zoo zwaar binnenstappen of hij binnendrong,   BORDEWIJK, Karakter 294 [1938].
Trapkooi (17), parallelopipedumvormige ruimte waarin een trap is geplaatst.
  HASLINGHUIS, Bouwk. T. [1953].
Wat nog min of meer trapkooi was, wordt allengs tot trappenhuis, ja trappenhal,   360 a [1953].
Trapkoord (17), koord of touw dienende om een deur onderaan een trap te kunnen opentrekken.
  ZWIERS 2, 482 b [1920].
  V. DALE [1924].
Trapkot (17), hok onder een trap.
Met groot en vervaarlijk gedruisch in het trapkot kondigde het (spook) zijn komst aan,   Biekorf 38, 108 [1932].
Trapkwart (17) (bouwk.); zie de aanh.
Trapkwart is een meestal rechthoekige overgang tussen twee traparmen, waarbij de treden van de ene arm regelmatig doorgaan in die van de andere arm,   Bouwk. Encyclop. [1955].
Trapladder (zie ald.).
Traplak (17).
(Barnsteenvernis) wordt naar de kwaliteit onderscheiden in Kerklak en Vloeren Traplak,   V.D. KLOES, Verver 29 [1908].
  ZWIERS [1920].
Traplandschap (3 of 23) (geol.), trapvormig landschap.
  HOL, in Kath. Encyclop. [1938].
Traplantaren (17), lantaren in de bet. 2, b, α), dienende voor verlichting van een trap.
  KUIPERS [1901].
Buiten is het na de zoveelste plensbui even 'n tikkeltje lichter geworden en in het vale schijnsel, dat door de vuile traplantaarn boven de deur valt, kunnen de gesprekspartners elkaar thans vrij duidelijk onderscheiden,   V. VELDHUIZEN en V. IEPENDAAL, De Trap 125 [1952].
Trapleen (17) (znl.), trapleuning.
  CORN.-VERVL. [1903].
  LIEV.-COOPM. [1953].
— 'K ben iet van de maen beschénen, Hemde of wambays op trap-lénen,   V. DAELE, Tydv. 33, 7 [1806].
Trapleer (zie ald.).
Traplens (23) (Dl. VIII, 1576).
Trapleuning (17), leuning langs een trap.
  WEIL. [1810].
— Dat men … met de Trapleuning een heele aantrêe op het bordes avanceert,   V. D. HORST, Theatr. Mach., Bouwk. 46 [1739].
Vader … riep over de trapleuning: ”Slechte kerel, slechte kerel! Let op, dat ik den stok niet bezige!”   STIJNS, In de Ton 109 [1890].
Hij (klimt) de trappen op …, de beenen zoo zwak …, dat hij zich met de hand aan de trapleuning moet vasthouden, om boven te geraken,   BUYSSE, Mea Culpa 96 [1896].
In Scheveningen hadden we een bovenhuis met een touw langs de trapleuning om de deur te kunnen opentrekken,   Ons Gezin 6, 254 c [1951].
Hierbij: trapleuningstijl (V. HOUCKE, Loodg. [1901])).
Traplied (1 of 17), hetz. als trappsalm; in het mv.
't Koomt 'er voornamelyk op aan, waarom deeze Liederen worden genaamd, Liederen Hammahhhaloth? … 't Gemeenste gevoelen is, dat de benaming zou zyn ontleend van het gebruik deezer Liederen op zeekere Vyftien Trappen van den Tempel, en dus zou deeze benaming zo veel zeggen als Trap-Liederen,   Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 3, 550 [1757].
Eenige Kerk-Vaders (hebben) gevoelt, dat Salomo de maaker is van verscheidene Psalmen …, als de LXXII. en de Trap-liederen,   VITRINGA, Leerr. Ps. CXLIX. vers I, 85 [1775].
Traplooper (17), reep stof die in de lengte van een trap op de treden bevestigd wordt.
Traploopers, Trapkleeden, Treppenteppiche,   NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821].
— Eene eenvoudiger en lichter … soort van tapijt-werk is die, welke men in Groot-Britanje onder de benaming van Venetian carpets of stair-carpets (trap- en gangloopers …) vervaardigt,   KUYPER, Technol. 2, 499 [1861].
We (kunnen) de loopers nog in twee soorten onderscheiden, want we hebben gangloopers en traploopers,   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 150 [1947].
(Ze) nam de traplopers af,   Libelle 21, 42, 17 c [1954].
Trapluik (17), liggend luik dat een trapgat afsluit.
  KUIPERS [1901].
— Het trapluik, dat van de hall aan dek voert, is gesloten en met presennings afgedekt,   LECLERCQ, Wind i. d. Z. 102 [1933].
Trapmantel (17), (bouwk.) deel van een gebouw waarin een trap opgetrokken is; de muren waarin en waartegen een trap steunt.
  V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
  V. PUYVELDE, in Med. V. A. 1923, 787.
— De treden en stootborden worden op zekere diepte in de boomen en in de muren van den trapmantel ingelaten,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 369 [1897].
Trapmastaba (23), graftombe bestaande uit een opeenstapeling van naar boven toe kleiner wordende mastaba's. Verg. trappyramide.
Hier (bij de pyramide van Zoser) is ook het grondvlak nog een rechthoek (geen vierkant), zoodat men eigenlijk van een trap-mastaba zou moeten spreken,   WINKLER PRINS, Encyclop. 13, 847 b [1937].
  a. w. 7, 832 b [1950].
Trapmerk (9, b), accentteeken. Bij MONTANUS.
De Form-merking is geleegen … Inde byvoeging van eenige Trap en Bantmerken: om daer door de Climming en Vereening te beteikenen. De noodige Trapmerken der Geletterde spraeken zijn | ^ ‘:; daer van het eerste beduit een Scherpe Opperwoord-littrap, het tweede een Draelende, het derde enz.,   Spreeck., Inl. 26 [1635].
Van deeze vijf Trapmerken zijn de twee eerste out, en geheeten Nota accentus acuti en Nota accentus circumflexi …: de andere drie zijn van my niew ingestelt,   27 [1635].
Trapmonding (3 of 23) (geol.).
Trapmonding, Zwevende dalmonding. Uitstorting van de zijrivier in de hoofdrivier,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 27 [1929].
Trapmuur (17) (bouwk.), muur waar een trap tegenaan sluit.
Trapmuur, (in de bouwk.) échiffre,   V. MOOCK [1846].
Trapmuur, ook Draagmuur … Hgd. Wangenmauer,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
— Tegen de door 't lampje lichtbesproeide plek van den trapmuur zag zij hem zitten,   HARTOG, Sjofelen 11 [1896].
De treden van wenteltrappen worden aan het buiteneind in den trapmuur ingemetseld,   V.D. KLOES, Bouwm. 1, 235 [1923].
Dit overblijfsel … bevatte een spiltrap, waarvan nog eenige gedeelten zijn overgebleven van treden, gemetseld op segmentboogjes, welke aan den inwendig ronden trapmuur zijn blijven hangen,   MIALARET, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 2, 2 [1937].
Trapoog (17), schroef met oogvormigen kop, dienende voor het bevestigen van een traproe.
  V. DALE [1914].
— Het naar een kant tegen de trapoogen opwerken (van een traplooper),   V. BLITTERSWIJK, Binnenhuismat. 153 [1947].
Trapopening (17), hetz. als trapgat.
Men (moet) bij het op- en nedergaan niet met het hoofd tegen de binten of ravelingen (kunnen) stooten … die de trapopening omgeven,   V. LITH, Trappenboek 9 b [1854].
Ze was de deur voorbij … stond met enkele vlugge lichte stappen voor de trapopening … Kràk, zei de bovenste trede,   NAEFF, Veulen 210 [1903].
De halfrond gesloten trapopening met steenen trap naar de tweede verdieping,   V. NISPEN T. SEV., Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 1, 126 [1926].
Gelukkig gaf de trapopening eenige luchtzuiging,   DE HAAN, Oud Bat. 466 [1935].
Trapopgang (17), opgang bestaande uit een trap.
Te weerszijden van den trapopgang als schachtbeelden: de Hoop en de Liefde,   MIALARET, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 2, 178 [1937].
Deze voorhal (is) bedorven doordat men er een kamer in heeft uitgetimmerd, waardoor de rechter trapopgang is weggevallen,   V. OERLE, in Leidsch Jaarb. 35, 171 [1943].
De trapopgang in het voorhuis leidt tot een bordes en vandaar rechtsom naar de verdieping,   TER KUILE, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 7, 1, 48 [1944].
Trappaal (17), hoofdbaluster, groote post of spijl aan het onder- en/of boveneinde van een trap.
Deze (trap)leuningen bestaan uit: trappalen of hoofdbalusters; tusschenbalusters enz.,   BERGHUIS, Betimm. 292 [1892].
De trap werd ingekort en aan de benedenzijde van een houten paneel en een trappaal, bekroond door een siervaas in den trant van Lodewijk XVI, voorzien,   Oudheidk. Jaarb. 4, 11 [1924].
(De) breede trap heeft gebeeldhouwde trappalen en een leuning, die door zware balusters wordt gedragen,   HASLINGHUIS e.a., Ned. Mon. v. Gesch. en K. 5, 1, 239 [1930].
Trapplank (1) (zndl.), als verkl.: dun plankje waarmee men op de trapboomen van een rechte trap de hoogte en breedte der treden afteekent (LIEV.-COOPM.).
Trapportaal (17), gedeelte van een verdieping, van de overige vertrekken afgescheiden, dat toegang geeft tot een of meer trappen, gangruimte boven of onder aan een trap.
M. En waar my thands te brengen, Om vrij en ongestoord mijn tranen uit te plengen? A. In 't Koninklijk verblijf ter zijde 't trapportaal: Uw Vrouwen wachten daar uw weêrkomst uit dees zaal,   BILD. 3, 407 [1808].
Dezen baluster, die bij groote trapportalen somtijds in een lantaarn overgaat,   BERGHUIS, Betimm. 292 [1892].
Neel … kwam even buiten, op 't stoepje luisteren naar het krakeel, dat het donkere trap-portaaltje uit-ruziede,   QUERIDO, Jordaan 1, 422 [1912].
Dit poederen (van kapsels) geschiedde, althans bij lieden, die op enige voornaamheid aanspraak konden maken, in speciaal hiervoor ingerichte poederkabinetten, terwijl de minder goed bedeelden … genoegen moesten nemen met het trapportaal,   MICHELS en HOFMAN, Grimeerk. 166 [1949].
Trapportiek (17).
In de voorzaal verrees in 1667 tegenover de buitendeur, de gesneden houten trapportiek,   Bull. Oudh. Bond 12, 134 [1919].
Trappsalm (1 of 17), benaming voor elk van de 15 psalmen van n° 119 tot en met n° 133 (telling van de Vulgaat), bij de Joden reeds zoo geheeten, wsch. omdat zij werden gezongen bij het opgaan van de tempeltrappen van Jerusalem.
  V. MOOCK 1224 b [1846].
  HEREMANS [1869].  Encyclop. Kerk. Wdb. 242 [1938].
— De nieuwe Brevier-uitgave van Pius V bevatte nog slechts de bepaling, dat de Trap-psalmen moesten gebeden worden op iederen Vrijdag van de Vasten,   KOENDERS, Handb. d. Liturgie 2, 479 [1915].
In de Kleine Uren en de Completen (in Geert Grootes getijdenboek) bestaat de psalmodie uitsluitend uit Trappsalmen,   Hand. Gesch. Brugge 3, 76, 101 [1934].
Trap(pen)pyramide (4 of 23), pyramide bestaande uit trapsgewijs inspringende lagen. Verg. trapmastaba.
  ZWIERS [1920].
Aangaande de architectuur der hoofdstad (van het Aztekenrijk) weten we enkel uit Spaansche getuigenissen van een ong. 40 m hooge trappenpyramide, waarop een torenvormige tempel stond,   Kath. Encyclop. 2, 153 [1933].
Koning Zoser liet … bij S. de zgn. trappenpyramide bouwen, die het uiterlijk heeft van zes op elkaar liggende mastaba's met rechthoekig grondvlak,   20, 311 [1937].
De trappenpyramide te Sakkara,   BOERHAVE BEEKMAN, in Hout in alle T. 1, 428 [1949].
Het eerste plan (van de pyramide van Medoem) was de bouw van een trappyramide; het grondvlak was dus reeds dadelijk vierkant. Later werd het plan vergroot en een mantel om het oorspronkelijke bouwwerk gelegd,   WINKLER PRINS, Encyclop. 15, 699 a [1952].
Trapraam (17), raam naast of boven een trap.
  V. DALE [1950].
— Dat er een stopje zat in een van de gordijnen voor het grote trapraam,   ROOSEVELT-V. D. STER, Ik herinner mij 95 [± 1951].
Traprede (27) (logica; veroud.); hetz. als trapspreuk.
Ik heb my … van een Climax of traprede bediend en ben allengskens van byzondere personen, tot Kerkelyke Vergaderingen, en eindelyk tot de Vierschaar der Heeren Staten opgeklommen,   HOFSTEDE, Tweede Apologie 97 [1786].
Trapriemschijf (9) (graf.); zie de aanh.
Trapriemschijf, riemschyf voor verschillende snelheden, welke trapsgewijze oploopen,   WINKLER, Handwdb. Graf. V. [1923].
Trapriet (?); de bet. is niet duidelijk, misschien is er verband met de onder trapjesdak beschreven techniek.
Men consenteert eenen yegelick, die up ghisteren by den quaden weder hair daicken sijn gebroken, dat die sullen moegen decken mit trapriet, behoudelick enz.,   Rechtsbr. v. Gouda 523 [1521].
Traprij (gymn.), hetz. als trap, 26).
Traprij. Een opstelling; een vorm van afstand nemen. Uit front- of flankry traprijen vormen,   V. D. BERGH en V. DIJK, Encyclop. v. Gymn. [1941].
Trappenrijk (12); op de volg. plaats.
In den mensch ligt het laagste en het hoogste, want hij is een mikrokosmos, een universum in 't klein. Daardoor neemt hij ook geen vaste plaats in op het trappenrijk der kosmische werkelijkheid, want de mensch kan … opstijgen tot de hoogste hoogten van het zijn,   VLOEMANS, Menschen als Goden 138 [1930].
Traproede (17), metalen staaf dienende om een traplooper op de traptreden vast te klemmen.
  V. DALE [1898].
— K. … zei dat … het bellekind moest ophouden met traproeien poetsen,   V. EYK, Int. Revue 138 [1936].
Wat is dat voor een atavisme in me, dat op Zaterdag het huis blinkend en proper en zonder een stofje wil hebben? Ach nee, alles kan niet meer, maar ik zou toch de traproeden … en het zeil in de keuken … en misschien zelfs de kachel …,   Ons Gezin 6, 350 a [1951].
Gebruik geen dunne of scherpe traproeden, die doorbuigen en ruimte laten … en slijtage veroorzaken,   in Tussen de Rails (Maandbl. v. d. Ned. Spoorw.) Sept. 1956, 41 b.
Hierbij: traproede-oog (Uit een advert. [1940])).
Traprond (5), cirkelboog. Bij STEVIN.
Sommighe teyckenen oock op de plaet een traprondt met sijn 360 trappen, waer over een sichtrije draeyt,   Gedacht. 4, 9 [1605].
Ick neem een meterscruys met sijn traprondt daer in, diens middelpunt D, stellende tusschen een cruyslini DE, ende de wijsrije DE (l.: DF) 50 trappen,   4, 15 [1605].
Trap(pen)rooster. 1° (23). In een stookapparaat: rooster dat gevormd wordt door trapsgewijs boven elkaar geplaatste staven.
  KRECKE, Chem. Technol. 27 [1881].
Bij de traproosters worden vlak liggende staven gebruikt, die trapsgewijze boven elkander liggen en gezamenlijk een vlak vormen, dat 30 tot 60 graden met den horizon helt,   VERDAM, Gids v. Machin. 68 [1892].
Traprooster is een rooster dat gebruikt wordt bij een vóórvuurhaard voor het stoken van minderwaardige brandstof. De roosterstaven liggen als de treden van een trap boven elkaar,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
2° (7 of 23) (natuurk.). Zeker onderdeel van een spectroscoop, door Michelson uitgedacht en bestaande uit een aantal glasplaten van dezelfde dikte, die zoo op elkaar zijn gelegd, dat elke volgende een bepaald deel van de voorafgaande vrijlaat, waardoor a.h.w. een trap wordt gevormd.
Trappen-rooster van Michelson,   Alb. d. Nat. 1899, 2, 66 [1899].
Wordt de … trap-rooster in plaats van een prisma in een gewonen spectroskoop gebruikt, dan ziet men slechts een witten band, daar vele spectra van verschillende orde elkander bedekken,   a. w. 67.
 Kath. Encyclop. 14, 239 [1936].
Trapruimte (17), ruimte waarin een trap geplaatst is.
Op de doelmatige breedte der trappen moet te gelijk bij den aanleg van nieuwe gebouwen gelet worden, omdat hierdoor de groote van de trapruimte bepaald wordt,   V. LITH, Trappenboek 7 a [1854].
  Bouwk. Weekbl. 1896, 265 b.
Deze trapruimten (worden) zeer monumentaal behandeld, dikwijls met overdadig rijk stucornament,   SLOTHOUWER, Amst. Huizen 56 [1928].
De trapopgang in het voorhuis leidt tot een bordes en vandaar rechtsom naar de verdieping. Op die verdieping is de oude, nu ingebouwde buitenmuur van het hoofdgebouw naar de trapruimte geopend met bogen waarin zich eikenhouten balustraden bevinden,   TER KUILE, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 7, 1, 48 [1944].
Traprust (17), overloop tusschen elkaar opvolgende traparmen of trappen.
  KUIPERS [1893].
  V. DALE [1898].
Trapschaaf, boorschaaf waarvan het ijzer loodrecht in het schaafblok zit, steilboorschaaf.
  V. MOOCK [1846].
  V. KEIRSBILCK, Timm. 427 [1898].
Trapschacht (17).
Eenige in het benedeneind der trapschacht doorloopende treden wijzen er op, dat zij (de trap) oorspronkelijk doorliep naar de binnenplaats,   VERMEULEN, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 3, 1, 146 [1932].
Trapschakelaar (17), schakelaar waardoor het mogelijk is een bepaalde lamp van twee plaatsen uit in of uit te schakelen.
Wenscht men één en dezelfde lamp van twee plaatsen af te kunnen in- of uitschakelen, dan gebruikt men den hotelof bedschakelaar of den trappenschakelaar,   BOLDINGH, Electr. Verl. 23 [1919].
  WINKLER PRINS, Encyclop. 8, 80 a [1950].
Trap(pen)schijf (7 of 23), riemschijf bestaande uit een aantal schijven van verschillende diameter naast elkaar; torenschijf.
Trapschijven en andere inrichtingen maken het … mogelijk dynamo's te onderzoeken van allerlei verschillende snelheden,   SNIJDERS, Electrotechn. 228 [1894].
Van het tusschendrijfwerk moet de beweging overgebracht worden op het (gereedschaps)werktuig. Gebruikt men daarbij trappenschijven, dan moet de riem met eenzelfde lengte op alle trappen passen,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 417 [1922].
De aanwezigheid van een trappenschijf op deze draagstoel en op het tussendrijfwerk schept de mogelijkheid het aantal toeren te wijzigen,   HAMMES, Goud 174 [1944].
Torenschijf of trapschijf,   Techn. W.P. Encyclop. 625 a [1953].
Trapsermoen; de bet. is niet duidelijk; wellicht ”preek voor elkaar opvolgende groepen (in dit geval soldaten) herhaald”? In de volg. aanh.
Het Guardiaen zynde tot Gend (heeft) onder zyne dul-zotte Patriotsche Trap-sermoenen, zoo bezonderlyk als voornaementlyk … uytgevallen iegens enz.,   VERVISCH, Lev. 2, 170 [1791].
Leest en belet wel myn voorgesteld Trap-Sermoentjen en leest daer tegen de gedrukte Sermoenen die M. de B. in St. Baefs tot Gend … heeft gedaen,   3, 194 [1791].
Trappenslijpsel (7), zekere wijze van slijpen van edelsteenen, tafel- of smaragdslijpsel.
De slijpvormen (van aquamarijn), welke bij dezen edelsteen toegepast worden, bestaan hoofdzakelijk in het trappenslijpsel en dat der verlengde facetten,   BOLMAN, Edel- en Sierst. 89 [1938].
Trappen- of tafelslijpsel met kwadratische-zeskante of langwerpig vierkant (veelal (sic) met schuine hoeken) rondistdoorsnede … De facetten, die boven elkaar gelegen zijn, liggen evenwijdig aan de zijden van de grondvorm,   HAMMES, Goud 482 [1944].
Trappensluis (7). Ook: trapsluis. Schutsluis met meer dan een kolk, waardoor het stijgen naar een hooger niveau, resp. het zakken naar een lager, trapsgewijs kan gebeuren.
Aan de zijde van de Atlantische Oceaan heeft men eerst een open kanaal van 11 km. Vervolgens stijgt de waterspiegel d.m.v. een trappensluis bij G. over een hoogte van 25,9 m naar het meer van G.,   E.N.S.I.E. 9, 18 b [1950].
De trapsluis bij Dieren, tussen de Gelderse IJssel en het Apeldoorn-Dierenskanaal is op 16 november 1957 buiten gebruik gesteld, omdat de … nieuwe sluis in gebruik kon worden genomen. Dit is een enkelvoudige sluis, die het hoogteverschil, maximaal 10.40 m., met één keer schutten overwint,   Roeien 25 Jan. 1958, II a [1958].
Trapsnede (23), hetz. als trap(pen)slijpsel. Niet alg.
  CORN.-VERVL. 2091 [1906].
— Fig. 1 stelt den zoogenaamden driedubbelen brillant voor …; Fig. 5 de trapsnede enz.,   Boek d. Uitv. 2, 2, 104 [1865].
Trapspie (23) (molenb., gewest.).
Trapspie. Bij mulders. Trapsgewijs uitgekorven blok hout of wigge, twee voet lang, dienstig om onder den looper of bovensten molensteen geschoven te worden, wanneer men hem oplicht,   CORN.-VERVL. [1903].
  JOOS [1900-1904].
Trapspijl (17), hetz. als Trapbaluster.
  Bouwk. Encyclop. 508 a [1955].
Trapspil (17) (bouwk.), spil van een wenteltrap.
  KUIPERS [1893].
Spil. De loodstaande trapboom van eene spiltrap. … Ook Trapspil,   V. KEIRSBILCK, Timm. 414 [1898].
  PRICK V. WELY, Frans Handwdb. [1950].
Trapjesspleet (7) (natuurk.), spleet welke aan beide zijden trapvormig is uitgewerkt.
De hulpmiddelen voor calibratie zijn: … b. een trapjesspleet, ook weer dadelijk toe te passen bij het spectrum van de zon,   E.N.S.I.E. 4, 415 a [1949].
Trapspreuk (27) (logica; veroud.), klimmende sluitrede, ”stapelrede” (zie STAPEL (I))); verg. traprede.
  SEWEL [1727].
Trapspreuk. Stapelrede. Argument qui va par degrez, Sorite: terme de Logique,   HALMA [1729].
Trapspreuk, (redek.), kettingsluitrede,   KUIPERS [1893].
Trapsprueck / zal t'naaste woord klimmende weer belijden. Vroomheid teelt dueghd / dueghd eer / eer doet benijden (Kantt.: Gradatio),   Rederijck-kunst B 5 v° [1587].
Trapspreuk (Climax) is eene tzamenschakeling van ééne en dezelfde woorden, die de reede trapswyze doen klimmen, als enz.,   SEWEL, Nederduytsche Spraakk. 387 [1712].
De Opklimming, by anderen Trapspreuk genoemt, is eene Verdubbeling by verscheiden trappen opklimmende,   D. V. HOOGSTR., Rederrykk. 67 [1725].
Trappensteeg (1 of 17), steeg die met trappen opgaat.
Door de binnenpleinen van den … burcht, langs den Gothischen dom, een andere nóg steilere en veel smallere trappensteeg weer omlaag,   BORDEWIJK, Fantast. Vertell. 2, 179 [1923].
Trapstellage (23), wsch. hetz. als Trapstelling.
  KUIPERS [1901].
Trapstelling (23), trapvormig opgebouwde stelling.
Op een trapstelling staat eene rei groote ijzeren bakken, die met warm water gevuld en door stoompijpen warm gehouden worden,   Boek d. Uitv. 5, 62 [1868].
Trapstijl (17), hoofdbaluster.
Trapstijl. Stijl, aan het begin of het einde van een trapleuning,   V. PUYVELDE, in Med. V. A. 1923, 788. LIEV.-COOPM. [1953].
— De trap-stijlen breet 5 duim, dick 2 duim. … De treden wijt 9 duim, breet 8 duim, dick 11/2 duim,   WITSEN, Scheepsb. 92 a [1671].
Trapstoel (17), gedeeltelijk uitklapbare stoel die dienst kan doen als trap; inz. als verkl.
  V. DALE [1898].
  GOEMANS [1954].
Trapstoeltje … Kleurig gelakt stalen buiswerk met rubberdopjes om poten, anti-kantel-constructie, stevige houten treden,   Uit een advert. [1955].
Trap(pen)straat (1 of 17), straat die met trappen opgaat.
De man naast hem sloeg 'n zijstraat in … 't Was 'n trappenstraat. Klaes klom … over de reusachtige treden omhoog,   VALKENSTEIN, In en om Stanboel 85 [1909].
Over de smalle trapstraatjes (in Dubrovnik) wordt 's zomers een zonnescherm gespannen om de voetgangers tegen de felle zon te beschermen,   Haagsch Dagbl. 7 Oct. 1954.
Trapstuk (17) (gewest.), traptrede.
  LIEV.COOPM. [1953].
Trapzage … wordt door twee mannen behandeld, om alle soorten van gebogen trapstukken te kunnen uitzagen,   Ald.
Trappensysteem (12).
God is de opperste eenheid, uit Hem is alles voortgevloeid in een trappensysteem van het algemeene naar het bijzondere,   VLOEMANS, Menschen als Goden 132 [1930].
Traptabouret (17), uitklapbare tabouret, als trap te gebruiken.
  Uit een advert. [1956].
Trapjestafel (7), tafel met trapvormige opbouw. Verg. trapbuffet en Traptoog.
Ze wist het immers van alle vorige jaren: eerst moest het geheim beneden klaar zijn, de tafel met de presenten, door Piet — in het salon — opgetuigd. De trapjestafel uit de serre nam hij er altijd voor,   NAEFF, Letje 26 [1926].
Traptang (7) (gewest.), tang om golven in het haar te leggen, ondulatietang.
  ENDEPOLS [1955].
Traptoog (23), trapvormig opgebouwde toog of tapkast; verg. Trapbuffet en trapjestafel.
S., die gereed was gekomen met het draperen van een vlag boven de traptoog,   V. IEPENDAAL, Onder de pannen 205 [1951].
Trappentop (4) (bouwk.).
Het smalle stadshuis behoudt nog lang de tradit. trappentop,   HASLINGHUIS, Bouwk. T. 301 a [1953].
Traptoren(tje) (17) (bouwk.), torenvormig uitbouwsel van min of meer geringe diameter, waarin een trap is geplaatst.
De meeste dezer huizen stonden op zich zelven en hadden op zijde ingangen met trappentorens,   BROERS, Utrecht. Hist. wand. 29 [1874].
Het traptorentje bij den poortboog,   Eigen Haard 1885, 238 a.
In 1517 werd de toren der kerk voorzien van een achtkante spits, waarop pijnappel en kruis. Tevens werd daarnaast een spitsje op het traptorentje gemaakt,   LABOUCHERE, in Oudheidk. Jaarb. 1931, 67.
Toegang tot deze verdiepingen geeft thans een gemetselde spiltrap in den traptoren,   VERMEULEN, Ned. Mon. v. Gesch. en K. 3, 1, 13 [1932].
Het traptorentje van de librije (van de Nieuwe Kerk te Delft),   V. D. KLOOT MEYB., N. Kerk 132 [1941].
De Zuidertranseptgevel, tezamen met de flankerende traptorens,   N. Rott. Cour. 1 Juni 1955, 5 f.
Traptouw (17), hetz. als Trapkoord.
Zich met één hand vastgrijpend aan 't vettige traptouw, sukkelt moeder, met dochtertje op den anderen arm, naar boven,   ABRAMSZ, Lev. Beelden 79 [1909].
Een trap …, die niet aan ten minste ééne zijde van een doelmatige en stevige leuning of traptouw is voorzien,   Arbeidsbesluit 1920, a. 8, D 3.
Traptrede (zie ald.).
Trapvenster (17), venster naast of boven een trap.
Hen liet men een voor een afkomen door een smalle trapvenster,   DAVID, Hist. 4, 211 [1853].
De plaatsing van trapvensters blijft … altijd moeijelijk,   V. LITH, Trappenboek 7 a [1854].
Huizen met vierkante, uitspringende kastachtige voorkamers, onrustige, brokkelige gevels met opzichtige trapvensters,   Maandbl. v. Beeld. Kunsten 16, 148 a [1939].
Trapverlichting (17).
  Spoorwegtechn. 3, 76 [1937].
Trapvernis (17).
Trappenvernis. Vernis, speciaal voor gebruik op vloeren en trappen,   ZWIERS [1920].
Trapverschikking (9, b), accentverschuiving. Bij MONTANUS.
De Trapverschicking der Woorden is, waer door een Opperlettertrap, of de Opperwoordlittrap, in een andere plaets des Woorts verschict wort,   Spreeck. 136 [1635].
Trapvestibule (17).
Geheel het inwendige is in eenvoudigen stijl uitgevoerd zonder eenige versiering, behalve de hoofd- en trapvestibule en de vergaderkamer van commissarissen,   Eigen Haard 1880, 303 a.
Trapvizier (23); aan een handvuurwapen: zekere soort van vizier.
Afhankelijk van de vorm spreekt men van boogklep-, schuif- en trapvizieren,   WINKLER PRINS, Encyclop. 10, 321 [1951].
Trapvloer (17), trapsgewijs afloopende vloer. Op de volg. plaats.
Maar wat nooit in vroeger dagen, Baders! hier mijn oogen zagen, Was uw overhuifde wagen, Waar ge u in naar zee liet dragen, En waaruit ge in 't golvend nat, Hooger, lager, naar behagen, Langs den trapvloer neder tradt,   IMMERZEEL, Schev. Strand 11 [1826].
Trapvorm. 1° (11, e). Elk van de trappen van vergelijking.
Trapvormen (spraakk.) de trappen van vergelijking,   KOENEN [1920].
  PEETERS, Taalg. 453 d [1934].
  C. F. A. V. DAM, Spaans Handwdb. [1936].
2°. (17). Vorm van een trap.
Uitgestrekte waterliniën verkeeren bijna zonder uitzondering in een der beide hierboven geschetste toestanden; het te bedekken terrein helt dus naar eene zijde, of het heeft den trapvorm,   Eigen Haard 1875, 71 b.
De verdere ontwikkeling van den trapgevel heeft, zooals in de inleiding reeds is aangeduid, geleid tot een type, waarbij het middengedeelte van den gevel hooger werd opgehaald tot een hals, die dan in den aanvang veelal nog in trapvorm bij de benedenverdiepingen aansluit,   SLOTHOUWER, Amsterd. Huizen 34 [1928].
Reeds in de pyramideteksten zijn de fijne, neerhangende twijgen met in trapvorm over elkaar geschoven blaadjes zorgvuldig uitgebeeld,   BOERHAVE BEEKMAN, in Hout in alle T. 1, 421 [1949].
Trapvormig (zie ald.).
Trapvulsel (17) (gewest.).
Trapvulsel z. achterhout. (”Rechtstaande plank die de opening tusschen twee treden aanvult of bedekt”),   LIEV.-COOPM. [1953].
Trapwang (17) (bouwk.), hetz. als trapboom.
  V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
Trapwang. De zijstukken, waartusschen de traptreden opgesloten of gedragen worden, noemt men trapwangen, trapboomen of enkel wangen, boomen,   V. KEIRSBILCK, Mets. [1899].
  CORN.-VERVL. [1903].
  V. DALE [1924].
Trapwrong (17) (bouwk.), zie de aanh.
Wrongstuk. Het deel van een trapboom of trapleuning, waar deze zich als een Wrong bij de rechte gedeelten aansluit. Men onderscheidt dienvolgens: Trapwrong en Leuningwrong,   ZWIERS 2, 579 a [1920].
Trapzaag (17), zekere soort van zaag; zie verder de aanh. De Trapzagen, aldus genoemd, omdat zij door de timmerlieden hoofdzakelijk gebezigd worden voor het inzagen der inkrozingen in trapboomen, V.D. KLOES, Wagenm. 242 [1907]. Trapzage. Zaag, bijzonderlijk gebruikt door trapmakers; bestaat uit een zeer smal blad met een handvatsel aan ieder uiteinde, en wordt door twee mannen behandeld, om alle soorten van gebogen trapstukken te kunnen uitzagen, LIEV.COOPM. [1953].
Trapzaal (17) (bouwk., zndl.), deel van een gebouw waarin een trap opgetrokken is.
  V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 379 [1897].
  JOOS [1900-1904].
— De beneden van de meeste huizen laat men, wonder genoeg, ongebruikt. Alleen hier en daar ziet men er een winkeltje in houden, verder dienen zij tot trapzalen,   ROOSES, Op reis 14 [1877].
Mijn stap weergalmt door onze verlaten trapzaal,   ELSSCHOT, Tsjip 97 [1934].
(De) schilderij werd hersteld en pronkt in de trapzaal van het Museum,   Ann. Oudh. Land v. Waas 54, 1, 65 [1943].
Links van deze halle hebben wij de mooie trapzaal: een rechthoek met afgeronde hoeken,   E. Schoon en Brab. 35, 252 [1952].
Trapzang (1 of 17) (R.-K. eeredienst), hetz. als trapgezang.
Trapzang, die bij de mis in de R. K. tusschen den epistel en het evangelie gezongen wordt, graduel,   V. MOOCK [1846].
  CALISCH [1864].
Trapzerk (17), natuursteenen plaat, gebezigd als traptrede.
Het denkbeeld …, dat de trapzerken min of meer in den toestand van gewelfsteenen zouden verkeeren,   V.D. KLOES, Bouwm. 1, 237 [1923].
Trapzijgevel (23), zijgevel met trapvormige bekroning; verg. trapgevel.
Een ander kenmerk van het Bataviasche huis is, behalve het hooge, steile dak …, de aan weerskanten aangebrachte trapzijgevel,   DE HAAN, Oud Bat. 457 [1935].
Een gegolfden zijgevel … (misschien eene ontwikkeling van oudere trapzijgevels),   a. w., Platenalb. B 17 [1935].
Trapzuil (17), hetz. als trappaal.
Toen Letje de trap afkwam duizelde ze … De geheele vestibule één wildernis. Tot aan den vliegenden Mercurius van namaak-brons op de trapzuil, reikten de pyramiden van manden en kisten,   NAEFF, Letje 135 [1926].

Aanvulling bij TRAPI

Samenst. Trapneus, van plastic of metaal vervaardigde bescherming van den voorkant van een traptrede.
  V. DALE [1976].
— Nu gaan we over tot het aanbrengen van de plastic trapneuzen …. Legt u de trapneus even los op de trede en trek een potloodstreep op de traptrede waar uw trapneus eindigt en doe hetzelfde aan de onderzijde van de wel,   Doe het zelf 1959, 1981 c.
Vervaardigen en leveren van constructiestaal voor trapneuzen in pijlers en landhoofden, luiken in machinekamer enz. t.b.v. de Spuisluis in het Haringvliet,   Deltawerken 22, 108 [1962].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1956.