ZANGI
Woordsoort: znw.(m.,o.)
Modern lemma: zang
— ZANK —, znw. m., hoogst zelden onz., mv. -en, verkl. -etje, -je (alleen bij [1811]), -ske(n) (gewest.). Ablautend bij zingen. Ofschoon s.v. zanger melding maakt van een onfr. *sangon (ook , Geslachtl. 284 [1834] vermeldt nog een ww. zangen), ontbreken verder in het Ndl. bewijsplaatsen voor een derg. ww., wat afleiding daarvan wel uitsluit. Onfr. sang, mnl. sanc; os. sang, mnd. sank, nnd. sang; ofri. sang, song, nfri. sang; oeng. sang, song, meng. sang, song, neng. song; ohd. sang, mhd. sanc; nhd. sang; on. so{\c-sub}}ngr; got. saggws. De vorm zank met klankwettige auslautverscherping uit de oorspr. op een occlusief eindigende verbinding -ng [ŋ{\g}] is gewoon t.e.m. de 16de e., maar komt ook in de 17de e. nog regelmatig voor (vgl. voor de rijmpositie KLANG (I)), en heeft zich in de zuid. dialecten tot op heden gehandhaafd. Vanaf de 16de en m.n. de 17de e. raakt de variant zang in gebruik (voor het eerst aangetroffen in , Teuth. [1477], s.v. awijse, daarna in , Conste v. Musike (ed. ) [1535]), wsch. onder invloed van de verbogen vormen of ook van zingen, welke vormen vanaf het Mnl. geen occlusief meer bevatten. De hier afzonderlijk gegeven bet. zijn in de aanh. niet altijd strikt te scheiden.
+1. Het zingen, soms ook: wijze van zingen. De grens met de bet. 2) is soms niet of moeilijk te trekken.
+2. Het door zingen voortgebrachte geluid; gezang. Veelal genoemd in verband met de aangenaamheid en vroolijkheid e.d. ervan, en dan in verb. met znw. en bnw. die deze aspecten uitdrukken, zooals genoeglijk(heid), lieflijk(heid), blij(heid). De grens met de bet. 1) is soms niet of moeilijk te trekken, terwijl in bep. aanh. ook lezing in den zin van de bet. 3) mog. is.
+3. Op een bep. melodie gezongen of te zingen tekst (in dichtvorm); lied; gezang; zangstuk. Evenals bij de bet. 2) zeer vaak verbonden met bnw. zooals droevig, vroolijk, zoet. In lateren tijd nog slechts in verheven taalgebr. In deze toep. ook met onbep. lidw. en in mv.-vorm. Deze bet. is niet altijd strikt te scheiden van de bet. 2).
+↪4. Melodie van een lied of zangstuk; (zang)wijs. W.g. en veroud. Vaker in de verb. op den zang van. Vgl. ook de bet. 7).
Melodie, soeten sanck,
L v v° b [1553].
Zang, of lied. Modulamen. Modulamentum,
[1704].
Zang, voys, maat, wijs, toon. Chant, ton, air de chanson,
[1778].
— Een clause zonder meer moet ghy eerst waerf dichten, Ende als ghy die hebt …, Maeckt den vooys daer op ter stond metten ganghe, Dan maeckt dander clausen met dien sanghe,
, Const v. Rhetor. 58 [1548].
Oft ghebeurt dattet sangh hooger oft leegher gaet, Dan dese ses noten wel connen dragen, So moet ghy den Noot veranderen,
, Reg. d. Schoolm. (ed. ) 230 [1591].
Hiernevens gaat het afschrijffsel der gedichten, by my op zanghen gesteldt,
bij , Br. 4, 254 [1642].
Dat is de zang niet,
[1701].
Een liedjen op de zang van …,
Ald.
Op de zang van den agtste psalm,
[1766].
+5. In eenige w.g. en sinds lang verouderde specifieke toep. in 16de- en 17de-e. vaktechnische litt.
+6. In fig. verband of geheel fig. m. betr. t. de dichtkunst en de voortbrengselen daarvan. Sinds de 17de e. aangetroffen, vooral in dicht. taalgebr., ter navolging van de praktijk in de Klassieke Oudheid, waarin poëzie zingend voorgedragen werd.
↪7. (Oneig.) (Muz.) Het zangerige, melodieuze aspect of karakter van een (instrumentaal) muziekstuk.
De Melodij is eene opvolging van enkele toonen, die voor het gehoor aangenaam zijn, en den Zang van een Muzijkstuk uitmaken,
, Theorie hedend. Muzijk 1 [1809].
De uitdrukking zang is ook op de instrumentale muziek overgegaan; zoo zegt men b.v. van een instrumentaal muziekstuk, dat er veel zang in is, wanneer het veel melodie bevat,
, Lex. [1885].
↪8. Zangkoor; zangvereeniging; soms ook: bijeenkomst daarvan. Bijna uitsluitend in jonger dialectmateriaal aangetroffen maar ook bekend in de alg. omgangstaal, m.n. in verb. als bij, op (den) zang zijn of zitten, lid zijn van een zangvereeniging.
[1904].
[1955].
[1967].
en [1979].
[1979].
[1984].
— Bè je ók óp zang? ben je ook lid van de zangvereniging?
[1951].
Ik muut noar d᥊ zaŋ,
128 [1967].
'r ês 40 jaor bié de zaank gewès,
[1979].
↪9. (Oneig.) In den verkl. in den specifieken zin van: zangerig spreektoontje (kenmerkend voor een bep. dialect). W.g.
's Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd om de deur gestoken, en met 't Leidsche zangetje afgerateld: ”En complement van Pa, dames, en dat we 'n kindje hebben gekregen”,
bij , Handb. 1, 506 [1907].
↪Afl. Zangbaar. 1°. Van den mond: geneigd, in staat tot zingen.
Ick sal met sanghbaer monde U lof en prijs verconde,
3, 324 [161.].
↪2°. Geschikt of bestemd om te zingen resp. om gezongen te worden. In de aanh. in de muziek van de z.g. periode (in de bet. ‘af te scheiden deel van een zin’).
Van de Redensneê dat is: affscheidinghe der zanghbaere woordtrekken (periodus) ofte halve zanghspreuken,
bij , Br. 4, 262 [1642].
↪Zangege, (W.-Vl.) zangeres. W.g. en sinds lang veroud.
Adyeu voorzaghers ende zangheghen, al mact groot gheclanck,
Med. V.A. 1969, 24 [1567].
↪Zangelen, geld schieten, betalen. Gewest. te Kortrijk. Wel leenvert. van fr. chanter, faire chanter, met dezelfde bet.
Loquela 7, 40 [1887].
— 'k Zalden ik wel doen zangelen,
Verz. [voor 1899].
↪Zangelijk, zangerig, melodieus.
In den aert van de Dichten, die sy (”de Griecken ende Latijnen”) Odae, dat is eygentlijck Gesanghen ofte Lieden, noemden, ende namentlijck in de Sapphica, die wel de soetste ende sangelijckxste schijnen te wesen, merckte ick oock wel, dat enz.,
bij , Br. 1, 435 [1623].
Zanger, zangerig (zie die woorden).
↪Zanghaftig, van registers van een orgel: in staat om de juiste stemmen volledig in werking te stellen (en zoo het orgel den gewenschten klank te geven (?)).
De Registers so boven als beneden wederom te leveren wel zanckhaftig ende besorgt, als deselve oijt mogen geweest sijn,
in Bouwsteenen 3, 86 [1625].
Zangster (zie ald.).
Samenst. en kopp. Als tweede lid o.a. in: avondzang, boetezang, bovenzang, bruiloftszang, herderszang, kerkzang, kerstzang, kinderzang, koekoekszang, koorzang, krekelzang, lofzang, orgelzang, strijdzang, tegenzang, toezang, vogelzang, volkszang.
↪Als eerste lid in: Zangaard, de natuur, het wezen van den zang (1, a, β). Alleen bij aangetroffen.
Zangh-aerdt. Natura Musices,
, Sanghber. 48 [1643].
— Weshalven ik nu genoeghsaem gedwongen ben om uit te geeven deeze eerste bloemzele der zinroerende zangen (zoo ik die noeme) sprekende in onze moederlyke taele, met die eygenschap van bewoorden, verheugen, ende beweegen: welke … den zangaerdt zelf uyt zyne binnenste geheymen, ende innighste verborgentheyden … aenwyst,
, Zanghbl. * 3 v° [1642].
↪Zangafdeeling, afdeeling van een genootschap die zich met de zangkunst bezighoudt.
De zang-afdeeling opende het feest door een koorzang Lentes-aendacht,
in Briefw. Consc. 1, 339 [1850].
↪Zangakkoord, het fraai samenklinken van zangstemmen onderling (van personen of vogels) of van stemmen met de klanken van muziekinstrumenten. Vooral indien samen genoemd met snarenspel kan ook op poëzie gedoeld worden.
Voort en sachmen noch en hoorden Langs strand niet dan gespel, musijck en sangh-accoorden,
, Zeev. 66 [1634].
Ginds roeme vrijlijk de Italjaan Op Snarenspel en zangakkoorden, En leer Euroop de maat te slaan, Aan Taag, op Rhijn of Iberboorden,
, Gedenkst. 97 [1783].
Klink, dierbaar snarenspel! en meld in zangakkoorden, Wat beurtlings mij de ziel doorvlijmd heeft of verrukt!
, Warschau 3 [1832].
Daar klinkt het woud van 't zoet gekweel Als de echo zingt met Philomeel, En alles zwijgt en hoort Naar 't lieflijk zangakkoord,
Geld. Volksalm. 1835, 98.
Zangbalk.
↪1°. Lat die in de lengte tegen den binnenkant van het bovenblad van een snaarinstrument wordt gelijmd, en die dient om het bovenblad, dat als zangbodem dienst doet, te versterken.
[1920].
— De zangbalk, een lange, vrij dikke lat, die zich aan den kant van het bovenblad bevindt, … dient niet alleen om weêrstandsvermogen te geven aan het bovenblad, maar tevens om over de geheele lengte van het instrument de trilling gaande te maken, die uitgaat van den linkerpoot van den kam,
Haagsche Stemmen 1890, 542.
↪2°. Notenbalk.
[1903].
↪Zangbank, wsch. bank in het koor van een kerk; vgl. koorbank; mog. ook de bank of stoel voor den zangleider, voor in de kerk.
Betaelt Walram Galle, over het opsetten van den hooghen autaer ende leveriinghe van schriinewerck dienende tot den zelven autaer ende sanckbanck,
in , égl. de Dixm. 2, 430 [1653].
↪Zangbeminnend.
Opdragt aan de zangbeminnende Amsterdamsche Juffers,
Apollo's Kermis-Gift 3, * 4 r° [1746].
Zangberg (zie ald.).
↪Zangbericht, verhandeling over de zangkunst. Uitsluitend bij aangetroffen.
Soo yemanndt breeder, ende meerder onderwys van dese dinghen, ende de gantschen Sanghtught begeert, die keere hem tot het groot Zanghbericht,
, Zanghbl. H 4 v° [1642].
Kort Sangh-bericht Van Ioan Albert Ban Haerlemmer, Op Zyne ziel-roerende zangen,
titel v.e. werk v. [1643].
Zangbeurt.
↪1°. Partij in een beurtzang.
Zyne gedagten in het schikken van de zang-beurten, en in het verklaaren van het gezang zelve, verschillen in alles zeer veel van de myne,
Verh. Holl. Maatsch. Weet. 4, 1, 65 [1758].
De zangbeurten bij de overheerlijk schoone antiphonen en responsoriën, werden door de WelEerwaarde Heeren de Pastoors van Oudenbosch en Uilkoten … vervuld,
Godsdienstvriend 61, 193 [1848].
↪2°. Bij toerbeurt gegeven zangvoordracht.
De zangbeurt van den heer Mertens bestond in eene romance De bloempjes op den Stroom,
in Briefw. Consc. 1, 339 [1850].
Zangbodem, zangboek (zie die woorden).
↪Zangbord, bord waarop men het notenschrift kan noteeren, t.b.v. het zangonderwijs. Alleen in wdb.
, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
[1872 ᬶ].
↪Zangbron, bron die tot zingen opwekt, mog. verwijzend naar de heilige bronnen met die werking in de Gr. mythol.
In onzen tijd onvermoeide pogingen om de zangbron terug te vinden en de Nederlandsche natie weêr aan 't zingen te helpen,
, Volksverm. 415 [1871].
↪Zangbundel, bundel met liederen.
Nederlandsche Zangbundel, bevatt gelegenheids-liederen, met een, twee, drie en vierstemmige muzijk,
titel [1834].
↪Zangcadans, maat, metrum in de poëzie (vgl. zang, 5).
Is dan de Poëzij slavin van rijm en maat? En waar zij 't snarentuig met vrijer handgreep slaat, En zonder zangkadans haar tonen golven laat, Zijn dat geen dichter-harmonieën?
E. Haard 1875, 324 b.
↪Zangcollege, gezelschap of vereeniging ter beoefening van de zangkunst. In de laatste aanh. wel historiseerend.
De leden van het burger concert benevens die van het vierstemmig Zangcollegie te Gouda, (hebben) zich … niet onwillig getoond, om … dezen dag met een Choor van vocaal en Instrumentaal Musiek, onder het eerste gebruik des orgels te vergezellen,
in Bouwsteenen 3, 69 [1771].
De scheerdersvrouw hoorde je bove alles uit; die hêt vroeger sepraan gezonge in 'n zangkeleesie,
, Lev. Beelden 118 [1909].
In het archief was een kerstcantate aangetroffen, die vermoedelijk in 1796 voor het laatst gespeeld was door het zangcollege van het Weeshuis,
Leidsch Dagbl. 16 Nov. 1990.
↪Zangdicht, gezang, gedicht, zooals vooral in de Oudheid geschreven en gezongen. In de eerste aanh. kan de bet. gelden: het zingend dichten.
Ick wil Gods naem met zang-dicht prijsen En maken hem door milde loff-spraeck groot,
, Ps. 69, 8 [c. 1626].
Die Vers-schrijvers, welcke op de Lier speelen, en te gelijck haere sangh-dichten met een soet-luydigh geschal daer by (tusschen) singen konden,
, Deure d. Taalen 234 [1666].
De Nederlage der Nerviers. Zangdicht. Heil Cæsar, heil den Adelaar!
77 [1877].
Zangdrift.
↪1°. Buitengewoon groote liefde voor den zang of de dichtkunst. Uitsl. in wdb.
Zangdrift, die Begeisterung eines Dichters, Tonkünstlers,
Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
Zangdrift, buitensporige liefde voor den zang,
[1872 ᬶ].
↪2°. (Vaak in fig. verband) Lust tot dichten; dichterlijke inspiratie. In 18de- en 19de-e. dicht. t.
ô Dichtkunst, spoor mijn zangdrift aan! Het geldt uwe Eer, uw Lauwerblaên,
8, 8 [1775].
Dat dit edel beest … Den mensch tot voorbeeld heeft gestrekt, En 's dichters zangdrift opgewekt,
, Poët. 3, 84 [1831].
Wordt de sluimrende dichtgeest weer wakker? Grijpt opeens weêr de zangdrift des jonglings mij aan?
, L. Ged. 23 [1874].
↪Zangfestival.
Te Astene bestond in 1847 eene zangvereeniging, gekend onder den naam van Waelrants-Genootschap. Al wat wij er van weten is, dat zij op gemeld tijdstip deel nam aan het zangfestival van Gent,
in en , Gesch. Gem. Prov. O.-Vl. eerste R., 1, 4, 31 [1870].
↪Zanggang, (muz.) reeks tonen; muzikale zin of deel daarvan. Vakterm bij .
Zangh-ganghen. Passus musici,
, Sanghber. 48 [1643].
— Talbrekinge (dat is, schielik buighen ende veranderinghe des stems op mindere Zanghmerken) en magh niet geschieden in 't midden, maer alleenlik in 't einde van ider Zanghgangh,
, Zanghbl. ** 4 r° [1642].
Dogh gemerkt in deze zanghen zommighe thusschenvallen van Toonen ende halve Toonen zyn gesteldt, welke buyten gewoonlyke wyze geschikt zonderlinge zanghganghen maeken,
H 1 v° [1642].
Zang(s)gedicht.
↪1°. Lied, gezongen gedicht met geestelijken of historischen inhoud.
, Ned. en Fr. Wdb. [1809].
— Ick (wil) … 'tloff-gespraeck met sang-gedichten mengen Mijn Godt ten danck,
, Ps. 27, 6 [c. 1626].
Tot Enckhuysen … werdt uytgegeven: C. I. Wits Stichtelijcke Bedenckinge … bestaende in aendachtighe Gesangen, leerlijcke History Sanghs-Gedichten, en sedighe Bruyloftsliederen,
in , Bijdr. N. Ned. Muziekgesch. 5 [1666].
↪2°. Dichtwerk, bestemd voor gezongen uitvoering. Eenmaal aangetroffen.
Het eenzijdig-muzikale dat zich vertoont in hun neiging tot cantaten en dramatische zanggedichten,
7, 721 [1912].
Zanggeluid.
↪1°. Door zingen voortgebracht geluid of toon; gezang; eenmaal in een wdb. ook: muziek.
[1654].
— Ik spreke van de zangh-geluyden die alle stemmen eyghen zyn, waer mede den Zangwyze … werdt gemaekt,
, Zanghbl. * 3 v° [1642].
Natuur, die het spraakgeluid levert, stelt meer klanken … in 't bereik onzer stemme, dan wy spreekende behoeven, en, te werk konnen stellen; de nabootsende konst brengt derhalve het zanggeluid voort,
, Muzykk. 201 [1751].
↪2°. Geluid van (gezongen) poëzie.
De fiere Kairbar hoort het jammrend zanggeluid,
2, 217 [1805].
Der Muzen rei is steeds tot zingen vaardig. Nog voert Kalliopé de luit. Noem slechts een held, den lof der Muzen waardig, En straks herklinkt ons zanggeluid,
, Poët. 9, 6 [1831].
Zanggenoot.
↪1°. Iem. met wien men samen zingt. In de tweede aanh. m. betr. t. vogels.
[1704].
— Gij liefelijke rij van groenende Ypenlooten! En gij, bewooners van hun takken, Zanggenooten!
6, 238 [1777].
↪2°. Een collega in den zang (5), mededichter. In fig. verband; in 18de-e. dicht. t.
Zeeusche Klio (t.w. de dichter Zeeus of zijn Muze) aen haere Dortsche Zanggenooten Gerrard de Haan, Johan de Wys enz.,
, Ged. 283 [c. 1710].
Eens vooral zou ik verbieden, dat men nooit die bedelende rijmpjens in een prijsvaars mocht doen vloeyen, als: Ontsloot gij, schrandre lettergrooten, Mij 't perk van eeuwige eer, 'k Leg dan, verheven Zanggenooten, Mijn speeltuig voor uw voeten neêr,
, D. en O. 241 [1788].
↪Zanggenootschap. Gewest. in Vl.-België.
Zanggenootschap of Zanggezelschap. Société de chant. Société musicale,
en [1861].
— Ook bezit zy eene zangafdeeling, die in het uitvoeren van kooren een der meest ervarenste zanggenootschappen der stad mag genoemd worden,
in Briefw. Consc. 1, 358 [1851].
In de maand Februari 1870 hebben eenige jonge muziekliefhebbers dezer gemeente een nieuw Zanggenootschap tot stand gebracht; het draagt tot titel: de Vlaamsche Werklieden,
in en , Gesch. Gem. Prov. O.-Vl. eerste R., 1, 3, 37 [1870].
↪Zanggenot.
Wacht u, dat de fluit uw weeke borst niet terg', Of 't toovrend zanggenot geen doodlijk gift verberg'!
6, 426 [1806].
Zangsgewijs, zie zangswijs.
↪Zanggezelschap.
[1829].
Zanggezelschap, vereeniging van zangers, — van personen die de zangkunst beoefenen,
[1872 ᬶ].
— Hij zong en kwinkeleerde, was de ziel van het zanggezelschap Euterpe,
, Lett. Stud. 1, 219 [1868].
Zanggezind.
↪1°. Zanglustig.
Ick (David) stelle, o Godt, op uw bermhartigheden …, Mijn zanggezinde en opgespanne keel,
7, 423 [1657].
't Vorstelyk Sardienje, op 't hooren Van dit heuchlyk Vreebesluit, Wekt zyne zanggezinde Koren Tot een vrolyk feestgeluit,
Ned. Jaerb. 1748, 1086 [1748].
Zanggezinde melkerinnen Wippen 't weihek lustig binnen, En ontlasten van zijn vracht 't Zuivelbeestje, dat haar wacht,
, Ged. 1, 123 [1821].
↪2°. Dichtlustig. In fig. verband en in dicht. t.
Van hier …, Verachte stervelingen, Niet vatbaar voor den Hemelgloed, De spoor van 't zanggezind gemoed; Van hier: 't is niet voor u dat we onze toonen dwingen,
8, 8 [1775].
↪Zanggod, Apollo of met hem vergeleken godheid (laatste aanh.). Sinds lang veroud. maar nog lang in de wdb. vermeld.
[1769].
[1872 ᬶ].
— Vonisse des Hogenraeds van Parnassus, gesproken by de neghen Zangh Goddinnen, en den zangh-God Apollo,
in , Zanghbl. ** 2 r° [1642].
Hoe goed is 't, dat geen Joodsche Zang-god hier Te pas quam, als een tweede Apollo met zyn lier,
, Poëzy 4, 116 [voor 1692].
Zanggodes, zanggodin (zie die woorden).
↪Zanggraag, houdend van zang; zanglustig. In de tweede aanh. van vogels.
Geen vreemdling zal … d'uitgeleefden Bard, vereeuwigd door zijn snaren, Herdenken, en zijn' naam in 't zanggraag hart bewaren,
2, 132 [1803].
Wat er tjilpt en fladderwiekt en zwiert, Zanggraag gevederte en gewiekte galmen,
3, 371 [1850].
↪Zanghavik. Slechts uit de volg. bron bekend.
De grootste soort van dit geslacht, de eigenlijke Zanghavik (Melierax musicus), bewoont Zuid-Afrika … Volgens hem (Levaillant) bezit de mannelijke Zanghavik de gave van het gezang en draagt een tamelijk uitvoerig liedje, zij het dan ook op een vreemdsoortige wijze, geruimen tijd achtereen voor,
2, 527 a [1910].
↪Zangheld, (fig.) groot, in de eerste aanh. ook: moedig dichter. Uitsl. bij, of in toep. op .
Wie durft zyn stem vermetel mengelen Met Salems heiligh koormuzyk? … Hoe durft het dan myn Zanghelt wagen Die zoo blygeestigh op zyn stem De steêjeugt van Jeruzalem Ten reie voert?
, Overgebl. Ged. 212 [1710].
Was noch myn Zanghelt 't licht gegunt, Wat had men niet al vruchts te wachten Van zyn doordringende gedachten!
achter a.w. [1726].
Zangheldin (zie ald.).
↪Zanghuis, spel of feest met veel zang en lawaai; in de eerste aanh. mog. ook: zangschool.
Ludus musicus, een sanckhuys,
, Dict. Trigl. EE 1 r° a [1552].
— Dat niemand zal vermogen eenige Zang- of Lol-Huyzen te houden, op verbeurte van hondert guldens voor de eerste reyze, zo het op een Werken-dag is, en van drie hondert guldens, zo het op een Sondag is,
Handv. v. Amst., 1ste Verv. 56 b [1749].
↪Zanghygiëne.
Zanghygiène, omvat alles wat de gezonde ontwikkeling en het behoud van de stem bevordert, eveneens het vermijden van alles wat schadelijk is,
Vivat's Encyclop. [1906].
↪2°. Muziekkamer.
[1618].
[1678].
↪Zangkapel, kapel waarin bep. liturgische onderdeelen, aanvankelijk gezongen, werden uitgevoerd.
Zangkapel. (Eng. chantry, fr. chanterie). Eene kapel in de kerk, door een of meer personen gesticht en begiftigd, waar dagelijks de mis voor de rust hunner zielen wordt gelezen,
Bouwk. Term. 37 [1850].
— Hebt ghij niet te veel van dujten? Dat doet meenigh huwlijk stujten. Maet in geldtkas lujdt zoo wel Niet, als maet in zangkappel,
, Ged. 1, 226 [1623].
Zangkoor (zie ald.).
↪Zangkoraal, koraal (III), koorzanger. Ook fig. voor dichter (1ste aanh.) en vogel (3de aanh.). In het mv.
O Schone Dichtkunst, hoog geroemd, Gij wekt Bataafsche zangchoralen,
, Gedenkst. 96 [1783].
Dat de stem der zang-choralen de mijne vervange, en met hunnen lof ook de onze tot den troon der eeuwige Voorzienigheid opstijge!
, Red. 1, 158 [1809].
Geen weêrgalm wandelde door bergvallei en dalen Op 't ruischend morgenlied der jonge zangchoralen, Dat aan 't vernieuwde jaar het blijde welkom riep,
14, 153 [1826].
↪Zangkreits, (muz.) toonsoort; grondtoon met daarop gebaseerde octaaf of quint. Vakterm bij .
Zangh-kreitzen. Circuli Musici, Tropi, Modi,
, Sanghber. 48 [1643].
— Daer sijn twaelff Zanghkreytsen in 't gebruyk en by den gemeynen musiciens bekendt, te weten: ses hooge en ses laage, bestaande in dese ses letteren: CDEFGA, want uyt den B en singht men gewoonlijk niet,
bij , Br. 4, 269 [1642].
Den laaghen Zangkreyts in D … past op eleyndige en droeve dingen, en vereyscht sulke woorden,
als voren 270 [1642].
Zangkunde, zangkunst (zie die woorden).
↪Zangkunstig, kunstig, bekwaam in het zingen. Van vogels. Zie ook ZANGKUNST, Afl.
De boven-sangh bewaart de Naghtegaal, Die looft sijn Schepper met gebroken taal, 't Sangh-konstigh volk dat op sijn vlerken drijft, Maakt dat dien klank tot aan den avond blijft,
, Boom d. Kenn. 4, 2 [1669].
Onze bosschen en vlakke velden weêrgalmen alomme van een aangenaamen wildzang, van … de lieflykste toonen der heldere stemmen van zangkunstige Vogelen,
, N.H. 3, 195 [1772].
↪Zangleeder, (muz.) alleen bij aangetroffen. 1°. Toonladder.
Zangh-leder. Systema,
, Sanghber. 48 [1643].
— Op deze volmaekte Zanghleder kan men bescheidelik zien, dat de oude voorgaende Leder met de zes zangh-sylben Ut, Re, Mi, Fa, Sol, La, hier inne begrepen is,
25 [1643].
↪2°. Notenbalk.
Overzulx om den zangh op alle plaetzen met rechtmatige geluiden van Stemtrappen en Stemsprongen wel te beduyden, moet men op den Zanghleder gebruyken deze vyf teykens, te weten enz.,
, Zanghbl. H 3 v° [1642].
↪Zangleeraar.
Ik merkte dat m'n stem zwaarder en donkerder werd en in Berlijn aangeland, ging ik les nemen bij 'n Amerikaanschen zangleeraar,
, Cabaret 138 [1920].
↪Zangleiding, (muz.) uitbreiding, versiering van de melodie. Alleen bij .
Wegens allerhande kleine en groote zangleidingen, of agrementen, die … tot uitrekking van lettergreepen en woorden, die zonderlingen nadruk vereischen, zeer bekwaam konnen weezen,
, Muzykk. 329 [1751].
↪Zangles.
en [c. 1813].
[1872 ᬶ].
— Dora gaf zanglessen en Jo paste op haar twee kleine jongens,
, Veulen 8 [1903].
Ontstaat na de zangles een gevoel van vermoeidheid in de keel, wordt de stem schor door het zingen, dan geldt dat als een waarschuwing,
Vivat's Encyclop. 7991 b [1906].
Het telkens door de sturende stem van den bovenmeester in maat gehoudene zingen was uit en daarmede de zangles ten einde,
, Jaapje 67 [ed. 1917].
↪Zanglessenaar.
De groote kerkboeken, welke men, op de zanglessenaars voor de koren om de dienst te zingen, vervaardigd,
, Boekbinder 400 [vert. 1843].
↪Zanglied. Reeds mnl. Sinds lang veroud.
Singt hem (den Heer) een nieuwe sanck liet, singhet hem wel met luyder stemmen,
Leuv. Bijbel, Ps. 32 [1548].
Singhet eenen Lof-sangh vanden sangh-liedekens van Syon,
, Liefde Godts I 8 r° [1628].
↪Zanglievend.
Tot Uytrecht … is ghedruckt …: Den Lachenden Apol … voor alle Zang-lievende Iuffers en vrolijcke Geesten,
in , Bijdr. N. Ned. Muziekgesch. 5 [1666].
↪Zangliever, liefhebber van de zangkunst.
Ik geloove wel datter noch meerder in den zangaerdt schuilt, als ik tot noch toe wel bespoort … hebbe: het welke my noch alle dagen kan onderthusschen voorkoomen, ofte van andere zanghlievers die hier ernstelyk op letten willen kan gevonden worden,
, Zanghbl. * 3 v° [1642].
↪Zanglijn, (muz.) eensnarig instrument waarmee o.m. de toonafstanden worden gedemonstreerd en waarmee men muziekinstrumenten kan stemmen; monochord. Als vakterm, uitsl. bij .
Tis kennelick datmen deur t'behulp der sanglijn wel verdeelt zijnde en een onvalsche snaer hebbende met lichticheijt en groote seeckerheijt sal connen stellen Clavesingels en orgels,
, Singkonst 31 [voor 1620].
↪Zanglijster, bekende inheemsche zangvogel (Turdus musicus; later Turdus philomelos).
in 781 a [1605].
[1808].
— De zanglijster heeft een' donker gekleurden bek, bruine oogen; hare kop en rug zijn olijfgraauw, de vederen aan de uiteinden wit, het achterlijf is geelachtig en aan de zijden van den kop ziet men eenige bruine stippen op eenen gelen grond,
Onv. Speelmakker 133 [1853].
De Zanglijster (Turdus musicus) is de kleinste van onze Lijsters. … Deze soort broedt vrij algemeen bij ons en vermaakt ons in het vroege voorjaar … met haren helderen liefelijken zang,
Nieuwenhuis' Wdb. v. K. en W. 6, 15 b [1860].
De Zanglijster (Turdus musicus), in Friesland Bonte Lijster, bij Haarlem Grauwe Lijster of Grauwtje genoemd … is aanmerkelijk kleiner. Haar lengte bedraagt 22 cM,
2, 30 b [1910].
↪Zangloover, blad aan een lauwerkrans als beeld voor een lovend gedicht. Zie voor een variant van de verb. hingende-springende zangloovertjes verder ook Dl. VIII, 2919.
Dat ik haer bespiegelende Wysheid (t.w. die van Minerva) met geen hingende-springende Zang-loovertjes, die alleen aen Thalia's Voedsterlingetjes en kweekschool ge-eigent zyn, hebbe willen onteeren (Apollo ontkent auteurschap van zekere onwaardige gedichten), achter
Apollo's Nieuwe Jaersg. 1, M 4 r° [1745]
Zanglust (zie ald.).
↪Zangmaagden, mv., de Muzen. Vgl. o.m. ZANGGODIN. In de aanh. oneig., genoemd als figuren op een schilderij.
De negen zangmaachden en Apollo vertonen de vrye wetenschappen, die de leerlingen kronen,
, Wetst. 2, 124 [c. 1648].
Zangmaat.
↪1°. Metrische, rhythmische structuur van gezang of (gezongen) gedicht; vandaar ook in de ruimere bet.: muziek.
[1778].
[1872 ᬶ].
— By alle tijden, is in meerder weerde gheweest, een tal-gebonden schrift, sanckwijs op syn maete ghestelt; als losvloedich, buyten dicht-dwanck by een ghevoecht. Dese sanckmaet is by de Griecken en de Latynen veelerhande gheweest: waer van wy in onse spraecke … ghemeynlick twee ghesteltenissen ghebruyckende syn: Iambicum, ende Trochaicum,
, Sed. Lev. )( v v° [1638].
Dat alle de tochten van onsen geest haere eighene Sangmaten inde stemme ende het gesang hebben,
, Ghebr. v. 't Orghel (ed. ) 132 a [1641].
Zoo vloeiend was de zangmaat, De schildring zoo vol leven, Dat oud en jong in Paros Zijn lied van buiten leerden En 't zongen dag aan dag,
, Poët. 13, 38 [1856].
Cæcilia, die in den name en de eere staat der Roomsche Patroones van zang- en liedermaat, verblijdt u en zijt vroom,
(ed. ) 3, 162 [1891].
↪Op, in zangmaat stellen, een te zingen metrische structuur geven aan; op muziek zetten.
Doordien jk bezigh ben met mijn' jeughlijke rijmen … te verschrijven, ten verzoeke van de HH. V. en B., die … de bequaemste in 't landt zijn om de liedekens op zangmaet te stellen,
, Br. 2, 345 [1633].
Tuisco, de eerste duitsche muzykoeffenaar en beschermer …, stelde zyne wetten in dicht- en zangmaat, en gaf ze aan 't volk te zingen voor,
, Muzykk. 217 [1751].
↪2°. Teleenheid, tijdseenheid in metrischen zang of poëzie.
[1704].
[1898 ᬶ].
— In ieder zangmaat van een zelfde muzykstuk moet, niet tegenstaande het verschil van lange en korte toonen, juist evenveel tyd verloopen,
, Muzykk. 284 [1751].
↪Zangmaatschappij, zangvereeniging. Gewest. in Vl.-België.
[1872 ᬶ].
[1922].
[1955].
— Die maetschappy is mogelyk de eenigste vlaemsche zangmaetschappy die uitsluitelyk vlaemsch zingt,
Briefw. Consc. 1, 216 [1846].
De Zangmaatschappij de Vereenigde Vrienden, van Asper, kwam tot stand in het jaar 1844,
in en , Gesch. Gem. Prov. O.-Vl. eerste R., 1, 3, 37 [1870].
Zangmaker.
↪1°. Componist.
Zangh-maekers. Musurgi, Componistae,
, Sanghber. 48 [1643].
— De vierde (t.w. de kwart) die bij de Griecken voor lieflick gehouden wiert achten de Sangmakers deses tijts onbehaeghlic,
, Singkonst 40 [voor 1620].
De Sangh-kundenaer ofte Sangh-maecker [Componist] doet 'er de sangh-wijse … by 't gedichte,
, Deure d. Taalen 234 [1666].
↪2°. Schrijver van gedichten, liedteksten.
Hebbe oversulx om haere zinrijkheydt (t.w. van enkele gedichten van Hooft) …, die selffde herschreven ende herstelt, zoo als my dochte de meyninge van den zanghmaeker naest te zijn,
bij , Br. 4, 250 [1642].
Zangmeester (zie ald.).
↪Zangmeestersen, mv., de Muzen. Vgl. o.m. ZANGGODIN. Gezien de speciale bet. wsch. niet als afl. van zangmeester op te vatten; zie echter de Afl. van dat art. voor zangmeesteres.
Ick bid u houd my op, ô goede Sang-meesterssen,
, Ged. 1, 306 [1647].
↪Zangmerk, (muz.) teeken in het muziekschrift, in het bijz. de noten. Uitsl. bij .
Zangh-merken. Notæ, figuræ,
, Sanghber. 48 [1643].
— Even Tydt in dezen Zangh heeft een maet van een rondt Zanghmerk,
** 3 v° [1643].
Zangmethode.
↪1°. Methode, wijze van zingen.
Muz. Wdb. [1855].
[1884 ᬶ].
— Dewyl het de Zanglievende, die in de Steden woonen, waar de nieuwe Zang-Methode is ingevoerd (”te weeten, om de eerste en laaste noot van yder regel lang en de middel nooten kort te Zingen”), niet moeyelyk zal zyn uit dit Psalm-Boek in de Kerk te Zingen, zullen zy enz.,
in Ts. N.-Ned. Muziekgesch. 8, 77 [1776].
De oude Italiaansche zangmethode bestond voornamelijk uit het zoogenaamde gedragen zingen en verlangde het formare, fermare en finire van den toon … De moderne methode daarentegen bestaat … slechts in het uitvoeren van melodische figuren,
, Lex. 622 [1885].
↪2°. Leermethode voor den zang.
[1884 ᬶ].
— Hoeveel gemakkelijker de Guidonische zangmethode mogt zijn dan die, welke men vóór hem gebruikte, zij leverde evenwel nog vele moeijelijkheden op,
Muz. Wdb. 179 [1855].
↪Zangmis, mis waarin gezongen wordt.
Den sanck misse te dienen sal hy (de opperschoolmeester) leeren aen sulcken kinderen als den pastoir sal designeren,
in E. Schoon en Brab. 33, 260 [1618].
↪Zangmuziek, vocale muziek.
en [1861].
[1872 ᬶ].
— De Maat heeft ook plaats in de woorden van de Zangmusiec waar in men zomtyds vind dat een korte sillabe op een langenoot zeer verkeerdelyk geplaatst is,
, Elem. mus. 199 [1739].
Muzyk van één zangstem, door hoe veel speeltuigen ook ondersteund, heet, van 't edelste gedeelte, Zang-Muzyk, en 't werk der instrumenten wordt hier slegts als … accompagnement aangemerkt,
, Muzykk. 277 [1751].
Aangedrongen word op hervorming van het zangonderwijs op de lagere scholen. Bij het onderwijzersexamen zou minder theorie en meer practische kennis van de zangmuziek moeten worden gevraagd,
Hand. St.-Gener. 1919-'20, Tw. K., Bijl. A, blz. 4 a.
↪Zangnaam, (muz.) letteraanduiding van den toon in de toonladder. Uitsl. bij .
Laat den leerling ook zyn Scala van C op D, E, F, G leeren verzetten … Geeft hem dan van 't begin af die bevatting dat de letteren zyn de plaatsnoemers van de snaren en toetsen, maar de zangnamen vertoonders van de klanken der levendige stem, zo als die tot musiec worden uitgekozen,
, Elem. mus. 129 [1739].
Zangnimf (zie ald.).
Zangnoot.
↪1°. Teeken voor een te zingen toon of (in het mv.) de notatie van de (oorspr.) zangpartij.
Hy (de koorleider) (geeft) aen d'anderen het sang-teecken, waer op ieder een van de Mede-sangers sijne sang-stem [zijnde afgetekent met verscheyde sangnoten van Sanghkunstige afbeeldtsels] stracks zinght,
, Deure d. Taalen 236 [1666].
Zodra een Dichter (in de Oudheid) zyn Spel vervaardigd had, bepaalde hy woord voor woord, hoe het zelve moest uitgevoerd worden, door eene soort van zangnooten, die thans verlooren zyn,
, Lev. v. Punt 39 [1781].
Men speelt de zangnooten, zoo als zij zich voordoen, en legt de accoorden er onder,
Muz. Wdb. 182 [1855].
↪2°. Te zingen toon of toon van de bovenstem (oorspr. zangpartij).
Wil men de Melodye ook met volle accoorden aanvullen, zo neeme men dezelfde nooten die men in de Bass onder de hand heeft, mits dat de Zang-noot altoos boven ligge,
, Clavecimbelspel 29 [1792].
Zeer weinige van die wijzen vinden wij later in andere liedeboeken hier en daar terug; doch ook bij die weinigen missen wij meestal de aanwijzing der zangnoten,
Oude Tijd 1869, 199 a.
↪3°. In toep. op (dicht.) taal met versch. bet.; in de volg. aanh. resp.: `toon die (in het zingen) een bep. lengte heeft', in verg. met een syllabe die bij de voordracht die lengte moet hebben; `dicht. klank', ‘gedicht’ (vgl. zang, 5); ‘muzikale klank’ (vgl. zangerig 2, c).
Dit te (t.w. in de woordgroep ”te bekooren” in zeker gedicht) …, is ligter dan het moet …, ('t) Zou …, als 't behoort, een' halve Noot lang klinken, Terwijl 't nu (in het metrische schema) klinkt een heele Zangnoot lang,
, Wegwyzer 83 [1748].
'k Wrok alleen op … Hen, die … geen zangnoot slaken mogten, Of beedlend eerst een wijs bij hunne nabuurs zochten, En ons dat vreemd muziek, slechts in zijn landstaal schoon, vervalschten,
2, 60 [1813].
Bij hem (Gezelle) is de maat, bij hem is het klankenspel, poësis, buiten allen zin en beteekenis … Hij speelt er mede, wonderlijk, en luister genoeglijk … naar zijne zangnoten, naar zijn gamme van klanken,
, Vl. K. 2, 172 [1901].
Zangnummer.
↪1°. Deel van een gezongen muziekstuk.
De verdeeling van het oratorium is in een, twee of drie deelen, en elk deel in verscheiden zangnommers,
Muz. Wdb. 219 [1855].
↪2°. Programmaonderdeel, b.v. van een concert, dat gezongen wordt. Uitsl. in wdb.
[1884 ᬶ].
↪Zangoefenaar, zanger, uitvoerder van vocale muziek. Alleen bij .
Componisten verschillen dan in 't gemeen van 't gros der zang- en speeloeffenaaren als auteuren, van leezers; ja …, als bouwmeesters, van werklieden,
, Muzykk. 11 [1751].
Zangoeffenaars moeten zingende spreeken, en componisten, muzykaale fantasten, en speelkonstenaars, op het spoor van deftige zangers treeden, namelyk, in gedagten zingen,
204 [1751].
Zangoefening.
↪1°. Het feitelijke zingen. W.g. en sinds lang veroud.
De middelyn der glottis kan in de daadelyke zangoeffening … geen linie, of twalfde deel van een duim, bedraagen,
, Muzykk. 91 [1751].
↪2°. Het zingen of de stof daarvoor, speciaal bedoeld om de zangvaardigheid te vergrooten.
Toch waren sommigen later alweêr ondankbaar genoeg, te zeggen, dat ze (t.w. Prinsens schoolliedboekjes) ”niet veel heil gebragt” hadden; ja zelfs ”Vader Prinsen met zijn Zangoefeningen” in ”de oude doos” te stoppen,
in , Volksverm. 414 [aangeh. woorden 1860].
Eerst in het 20ste jaar is men dus … zeker, dat de mutatie is afgeloopen en kunnen de … zangoefeningen weer beginnen,
Vivat's Encyclop. 7194 a [1906].
↪Zangonderwijs.
Aan … Guido van Arezzo had men, behalve in het notenschrift, ook eene groote verbetering in het zangonderwijs te danken,
Muz. Wdb. 178 [1855].
De menschelijke stem en het zangonderwijs op physiologischen grondslag,
titel v.e. werk v. [1887].
Dat Jet naar de muziekschool zou gaan, waar heel goed zangonderwijs werd gegeven,
, School-id. 102 [1900].
Aangedrongen werd op hervorming van het zangonderwijs op de lagere scholen,
Hand. St.-Gener. 1919-'20, Tw. K., Bijl. A, blz. 4 a.
↪Zangonderwijzer, zangonderwijzeres.
De zangonderwijzer moet minstens zooveel grondige kennis bezitten, dat hij den scholier den juisten stand bij het ademen aangeven en hem de juiste beweging der ademingsspieren en de gelijktijdige werking van het middelrif en de buikpersing onderrichten kan,
, Mensch. Stem 128 [1887].
Op haar probeerde ik mijn talenten van zang- en piano-onderwijzeres,
, Dochters v.d. Gen. 343 [1897].
↪Zangorgaan.
Om de eigenaardigheden der muziekinstrumenten te kennen wendde hij (de muziektheoreticus Ban) zich tot de mechanici, ja zelfs verzuimde hij de anatomie niet van de stem- en zangorganen, en vroeg daarin voorlichting van de medici,
Bijdr. Gesch. Haarlem 1, 37 [1873].
↪Zangparkiet, (dierk.) kleine kamervogel die zich vooral van andere parkieten onderscheidt door zijn zang (Melopsittacus undulatus).
Ik stel voor het in 't vervolg zangparkiet te noemen. De Engelschen noemen het de kweelende grasparkiet, de Duitschers de zingpapegaai … Wij spreken van zangvogel, zanglijster enz.; zangparkiet is, dunkt mij, zeer gepast,
Alb. d. Nat. 1881, 1, 78 [1881].
Andere Parkieten bekoren ons door hunne prachtige kleuren, de Zangparkiet … trekt ons aan door zijn bevallig voorkomen en zijn lieftalligheid, ik zou bijna zeggen, door zijn aanminnigheid,
2, 319 b [1910].
De Zangparkiet … behoort tot de kleine Papegaaien; door zijn langen staart schijnt hij echter grooter dan hij werkelijk is,
2, 320 a [1910].
Zangpartij.
↪1°. Deel van een muziekstuk dat gezongen moet worden.
In de Zangpartij vindt men echter zelden het Forte of Piano aangeduid, om dat men van den Zanger eischt, dat hij uit de woorden en uit de daarboven staande Melodij den graad van hard en zacht moet kunnen gewaar worden,
, Theorie hedend. Muzijk 63 [1809].
↪2°. Rol in een dramatisch muziekstuk.
Bij het verdeelen der zangpartijen in de opera kan dán alleen twijfel ontstaan, als aan een en hetzelfde tooneel toevallig twee zangers of zangeressen zich mogten bevinden, die volkomen dezelfde eigenschappen van stem bezaten,
, Tooneelsp. 311 [1858].
↪3°. Zanggezelschap. Gewest. in Limb.
[1918].
↪Zangplaats, toon in de (vocale) muziek. Vakterm bij .
Elementa musica. Zanghplaetzen,
, Sanghber. 49 [1643].
— Het gesangh heeft zeven zanghplaetsen, geteykent met dese letters: A B C D E F G,
bij , Br. 4, 269 [1642].
↪Zangprijs, prijs voor den mooisten zang, of, in fig. verband in de eerste aanh., voor de mooiste poëzie.
Hoe draefde uw hooge toon! … Daer gy de Waerheit, Vrede, en Godvrucht hoog verheft, En door uw dichtpenseel haere eigenschappen treft. … gy … maekt my magteloos naer waerde te volpryzen Uw ryk vernuft, dat … door een eed'len galm den grootsten zangprys wint,
, Ged. 323 [c. 1710].
Vooral vielen veel toejuichingen aen Mej. Paulina Vervenne, eerste zangprys van het conservatorium te Brussel ten deel,
in Briefw. Consc. 1, 356 [1851].
't En deert mij niet … dat hij den zangprijs henendraagt, en, vogel schoone, mij rooft de dichterkroone!
(ed. ) 2, 140 [1888-'90?].
Zangregel.
↪1°. Beginsel, richtlijn in de zangkunst. Uitsl. bij .
Zoo dat ik by my zelve doen maekte een liedt met vier stemmen, niet wetende van eenige Zangregels; welk my een oorzaek gaf om de Zanghwetinge, ende kunst naerder te onderzoeken, en dieper te doorgronden,
, Zanghbl. * 2 v° [1642].
↪2°. Regel (4) in een gezang.
Vooral begeerde men ook, by het eindigen en beginnen van elken zangregel, een oogenblikkige, dog evenwel merklyke tusschenpoos, gedurende welk tydstip in Kerken met Orgels voorzien, een klein en zagt voorspel of korte aanslag zou gemaakt worden,
Docum. Reform. 2, 69 [1782].
↪Zangrei, koor van zangers of zangeressen, inz. in de Oudheid. 1°. In toep. op het koor der Muzen, vaak in fig. verband genoemd als begunstigsters van de dichtkunst.
180 [1807].
[1903 ᬶ].
— Och zanghrey, offert en vereert dien overleden Een lijckklaght, rijcker dan mijn zanghkunst kan bekleeden,
2, 205 [1623].
Helaas, myn Zeeus, myn Jakob is niet meer! Die door zyn' geest gansch Neêrland kon bekooren. … Die op zyn stem den zangrei voerd' ten dans, Gesierd om 't hoofd met Febus lauwerkrans,
achter , Overgebl. Ged. [1726].
Men zegt … dat een der Zanggodinnen, Uit 's werelts mist gekeert …, een' bondel Naemloos Dicht, Verzamelt hier omlaeg, straks openlei voor 't licht. De Zangrei vlydt zich neêr. Thalie valt aen 't lezen,
313 [1755].
↪2°. In bijb. toep.
Davids overwinning van Goliath (wierd) met Zangreien geroemt, en de eerste Maagdenrei prees Saul, en zyne Helden-daaden,
, Walch. Ark. 1, 19 [1715].
De zangrei trad den speelrei voor, In 't midden ging het vrolijk choor Der trommelende maagden (viering van Gods overwinning op vijanden),
Boek d. Ps. 68, 12 [1773].
↪3°. (Fig.) Gezelschap van dichters.
De verwondering wegens dit Werkje was des te grooter, zoo omdat onze Dichter genoegzaam onder den Zangrei noch onbekent was,
voor , Overgebl. Ged. [1726].
Zangrijk.
↪1°. Vol zang, zingend. Van vogels.
[1909].
— Ruischende en zangrijke koren verheffen zich bij uwe wederkomst van alle kanten, tot den magtigen Schepper, die uwen vlammenden bol in het duister Chaos hing,
, Ceilon 12 [1810].
↪2°. Melodieus, zoetvloeiend. Van taal en muziek (resp. eerste en tweede aanh.).
Eenige daarvan (van zekere lofzangen), als 't Klaverzootjen, Sulamiet enz., zijn overbekend, en, om hun zangrijke taal en gevoelvollen inhoud, te recht algemeen gevierd,
in , Uitgel. D. 224 [1865].
Het Cantabile is een langzaam, zangrijk muziekstuk, van geen hartstochtelijken of krachtigen inhoud,
, Mensch. Stem 256 [1887].
↪Zangrijm, berijmde en daardoor te zingen dichtvorm, inz. van eerder onberijmden tekst; berijmd gedicht voorzien van een melodie. Sinds lang veroud.
De psalmen des koninglicken propheten Davidis, in moeder sprake dichte ende sangs ryme te bringene,
voor , Ps. A ij v° [1566].
Minnelyke zang-rymen. Astreas strafheyd, Tegens Celadons getrouwigheyd. Stemme: Florida zoo 't doch wezen mach,
, P.W. 4, 1 [1644].
Dat ik … mijn leedige uuren nergens beter toe konde besteden, dan tot 'et dichten van eenige heylige Sang-Rijmen,
, Ps. enz. B 1 r° [1661].
Geloofts-Liederen, dat is, de Heydelberghse ende Nederlantse Catechismus, op Sangh-rijm gestelt door Volckerus van Oosterwijck,
in , Bijdr. N. Ned. Muziekgesch. 7 [1666].
Zangschool.
↪1°. Instelling voor zangonderwijs.
Welk een jammer voor hun, dat het ons mangelt aan de Duitsche Zangschoolen!
, Huisb. 512 [1793].
Toen hy (Karel de Groote) de kloosters, by de invoering der regelen van Benediktus, tevens verplichtte tot de oprichting van zangscholen, heeft hy enz.,
, Voorgesl. 2, 123 [1860].
De namen van Palestrina, Scarlatti enz., behoorden tot diegenen, uit wier scholen de beste kerk- en operazangers te voorschijn kwamen. Tot op den huidigen dag heeft de Italiaansche zangschool haar goeden naam bewaard,
, Lex. 621 [1885].
Dat ook aan de Koninklijke Nationale Zangschool te 's Gravenhage, welke zich reeds sinds 1857 aan de belangen van den volkszang wijdt, een subsidie zal worden verleend,
Hand. St.-Gener. 1920-'21, Tw. K., II, Bijl. A, blz. 12 b.
↪In den volg., niet zeer duidelijken context beteekent zangschool wsch.: plaats waar gezongen wordt.
Ag wat zag ik by malkanderen, Daar al zoete Meysies staan, Kom myn Sang-Nimph laat u hooren, Zingt dees Vryster-Mark haar lof, 'T schynt Vrouw Venus heeft verkooren, Deze Zang School tot haar Hof,
Verm. Jooden Concert 5 [c. 1700].
↪2°. School voor, vereeniging van amateurzangers, of, meton., de leden daarvan.
Zangschool. Is, gelijk het woord reeds aanduidt, eene vereeniging van kinderen of volwassenen, die in de zoo hartverheffende en den mensch tot betamelijke vrolijkheid stemmende zangkunst, geoefend worden,
, Wdb. v. K. en W., Aanh. [1844].
— Op de zangschool hadden ze gern dat ze meezong, umdat ze 'n stem as 'en klökske had,
13, 30 [1858].
Ien 'en halven cirkel steet nou die zangschool; de boerinnekes veurop,
12, 247 [1870].
↪3°. Methode voor zangonderwijs. Alleen in wdb.
Zangschool, … het boek of de methode, die de regels en voorbeelden tot het onderwijs en de oefening in de zangkunst bevat,
Muz. Wdb. [1855].
[1872 ᬶ].
↪Zangschouwspel, incidenteel ter weergave van: opera.
Ik sag daer d'Opera, sang-schouwspel, dat voor desen, Plagt in Italien alleen bekent te wesen, Waer in men singend' spreekt, liefkoost, krackeelt, en vecht,
, Overbl. 168 [1723].
↪Zangsilbe, (muz.) benaming van den toon in de toonladder.
Dat alle geluiden van Toonen ende halve Toonen … moeten noodtzaekelyk met de zelffde zanghzylben uitgesproken werden. … By aenwyzinghe, Fa Fa Fa La Sol Fa Re Solfa Mi Fa,
, Zanghbl. H 2 r° [1642].
Het onderscheydelijck geluyt der zangh-silben Vt. Re. Mi. Fa. Sol. La. Ci. Vt. de welcke in een octave begrepen zijn,
, Wisk. Musyka 34 [1659].
↪Zangsleutel, (muz.) muzieksleutel of grondtoon voor den zang. Uitsl. in wdb.
Zangsnaar.
↪1°. (Muz.) Eensnarig instrument waarmee o.m. de toonafstanden worden gedemonstreerd; monochord. Alleen bij .
De Zanghtoonen of stem-trappen … op een zanghsnaer gevonden zijnde, so kanmen dit ondersoecken op een een-snarigh speeltuygh … ende den snaer verkorten na reden deser getallen, om hier door te vernemen het onderscheydelijck geluyt der zangh-silben Vt. Re. Mi. enz.,
, Wisk. Musyka 34 [1659].
↪2°. (Fig.) In de verb. de zangsnaar geeft geluid, met de bet.: er wordt gezongen.
Nu zegent u (t.w. de overheid die de vrede heeft geteekend) de moeder en de bruid; De vreugd herleeft; de zangsnaar geeft geluid; 't Geschokt vertrouwen strekt de hand weer uit,
, Madel. 36 [1867].
Zangspel (zie ald.).
↪Zangspier, (dierk.) ben. voor elk der spieren ter weerszijden van het onderste strottehoofd bij vogels, die het zangorgaan vormen.
De geitemelkers hebben en door gebrek aan zangspieren, en in het algemeen ten opzigte van hun inwendig maaksel, meer overeenkomst met de gierzwaluwen dan met de zwaluwen,
, Dierk. 1, 222 [1857].
Zangstem (zie ald.).
↪Zangstof, onderwerp waarover, reden waarom men zingt of, (fig. of in fig. verband) dicht of schrijft; (meton.) datgene wat men dicht of schrijft.
Ik zing de heileeu en de staetverandering Van Jakobs ryk … Wie zou zyn' dichtgeest niet aen zulk een zangstof wyen?
, Overgebl. Ged. 33 [1711].
Ik zal … de Opperpriester zijn, die op dit kunsten feest Zal offren, boeijen zal uw harten en uw' geest, En in der Goden taal een zangstof aan zal heffen,
, Nag. Ged. 1, 65 [1813].
'k VVil u thans van Amor zingen: Zoeter zangstof is er niet,
Geld. Volksalm. 1836, 114.
Uit wat zuiverer en mildere bron kunnen zy [de Vl. schrijvers nl.] toch hunne zangstof gaen putten, dan uit de heilige gedenkrollen van ons roemryk voorgeslacht?
in Briefw. Consc. 1, 88 [1840].
Het einde, God den Heer zij lof! Het einde — ô zang-, ô dankensstof! Het is noch niet gekomen,
, Meeuwepl. 1 [1884].
↪Zangstrijd, wedstrijd in zang of, in de laatste aanh. in fig. verband, dichtkunst.
[1872 ᬶ 1898].
— Terstont hief een van al … Den zangstrijt aen, en zong den reuzestrijt met Goôn … Zy zong hoe enz.,
11, 457 [1671].
Deze meisjes, die zich op de zang- en dichtkunst bevlijtigden, waren zoodanig verwaand, dat ze het eindelijk waagden, met de Zanggodinnen zelven in zangstrijd te treden,
, Verz. W. 12, 59 [1792].
'k Zal in der vaedren tael het vaderland bezingen, Met Belgies zangrenchoor het strydperk binnentreên …, En by den zangstryd daer naer gloriepalmen dingen! Gy, Dichtkunst! die de ziel aen uwe klanken snoert, Leer gy my d'echten toon,
19 [1834].
↪Zangstudie.
Gebreken, die aan het welslagen der zangstudiën doen wanhoopen, kunnen bij jonge lieden van tijdelijken aard zijn, b.v. de zwakte der stembanden,
, Mensch. Stem 214 [1887].
Zangstuk.
↪1°. Muziekstuk voor zang; lied, gezang. In de tweede aanh. in fig. verband gezegd van geluiden in de natuur.
By indien veellicht een … mis-klang [wangeluyd] gehoort … wort, soo hersingense het Sang-stuck,
, Deure d. Taalen 237 [1666].
De Waterval, de Voog'le Zang, De Zuidewind onthaalen de ooren …; Terwylze om stryd een zangstuk leeren Aan kruid, aan bloem, aan plant, aan boom,
, Ged. 1, 47 [1692].
Muzijkstukken, zamengesteld door Kweekelingen van het Instituut, als: … Een Zangstuk, zijnde een gedeelte van het dichtstuk: het Leven van R. Feith, door J. C. Merghart,
Cat. Nijverh.-Voorw. 144 [1832].
Toen op Zaterdag den 14en Februari 1795 … de Vrijheidsboom … werd opgericht en geplant, werd door een koor van jonge meisjes een zangstuk ten gehoore gebracht,
Gron. Volksalm. 1918, 64.
↪2°. Muziekdrama, opera.
Dat Lulli … gewoon was het recitatief van zyne Operaas te stellen naar de kadanssen van Juffrouw Chanmêlé … Misschien zou de smaak van Racine noch uit deze Zangstukken te vinden zyn,
, Lev. v. Punt 49 [1781].
Daer is voorts nog veel voorraed (van tooneelstukken) te vinden by de Hollanders de welke, waer 't zaken ook hunne toneelen bragten op den voet der fransche, en hun meer stelden op zangstukken, ende dus alle de Nederlandsche theaters malkanderen konden verzien,
, Verh. 95 [1788].
↪Zangtalent.
Met het opteren van den voorraad der nationale vrolijkheid schijnt ook onze zangluim en ons zangtalent geweken te zijn,
Overijss. Alm. 1844, 269.
Zangteeken.
↪1°. Handbeweging van den dirigent als teeken voor den inzet van den zang.
De aensang … ghedaen zijnde, geeft hy (de koorleider) aen d'anderen het sang-teecken, waer op ieder een van de Mede-sangers sijne sang-stem stracks zinght,
, Deure d. Taalen 236 [1666].
↪2°. (Drukk.) Grafisch teeken ter aanduiding van de vorming van een klinker. In bep. talen als b.v. het Hebreeuwsch.
Zang- of toonteekens, teekens onder of boven de hebreeuwsche letters geplaatst om een klinker te vormen,
, Handwdb. Graf. V. [ed. 1920].
— Van het … Grieksch, alsmede van het … Hebreeuwsch zijn hier de alphabeth's opgenomen, benevens drie verzen uit den Talmud … met klanken en zangteekens,
, Typogr. 11 [1910].
↪Zangtijd, periode dat men zingt. Van menschen en vogels; in het laatste geval wordt verwezen naar het voorjaar. Reeds mnl.
De bloemen zijn voortghekomen inden lande, sangtijt is daerby gekomen, ende de tortelduyue laet haer hooren in onsen lande,
Bijbel v. Deux Aes, Hoogl. 2, 12 [1562].
Zingen: — neen! mijn zangtijd is over, en Jeremiades wil ik niet zingen,
, Bronkh. 5, 199 [1807].
Zang- en bronsttijd vloden henen …; En de mei is naauw verdwenen, Of het wijfjen zit gerust Op een viertal jongen neder,
4, 49 [1838].
↪Zangtoer, reeks zangtonen. Van een kanarie.
Dat alle zangtoeren, die dun, hoog en spits, evenals die welke wel laag, maar breed en klapperend, met neusklank … voortgebracht, gezongen worden, verwerpelijk zijn,
Pluimgraaf 5, 362 b [1903].
Zangtoon (zie ald.).
↪Zangtrant, wijze van zingen.
Hoewel 'er in eenige Steden een nieuwe Zang-trant in de Kerken is ingevoerd; te weeten, om de eerste en laaste noot van yder regel lang en de middel nooten kort te Zingen, heeft enz.,
in Ts. N.-Ned. Muziekgesch. 8, 77 [1776].
Na te samen overlegd te hebben … hoe de Gemeente gevoeglykst van den ouden zangtrant zou konnen afgeleid en tot den nieuwen overgebragt worden, zongen wy … de jongst berymde Psalmen …, in diervoegen en op dien trant, als wy verlangden, dat dezelve voortaan, in den Openbaren Godsdienst, zouden gezongen worden,
Docum. Reform. 2, 69 [1782].
↪Zangtrap, (muz.) toon in de toonladder. Uitsl. bij .
Alzoo treft de stemme de natuirlyke zanghtrappen, Ut, Re, Mi, Fa, Sol, La, Ci, Ut, klimmende tot een Achtelingh,
, Zanghbl. H 3 v° [1642].
↪Zangtrek, (dichtk.) versregel in berijmde poëzie. Uitsl. bij .
Ick ghebruyck … vyf Klimvoetighe, ende vyf Val-voetighe ghesteltenissen, met besondere maet; sluytende elcken Sancktreck, oft Vers, met sijnen Rym, ofte ghelijck luydende-letter stemme,
, Sed. Lev. )( v v° [1638].
↪Zangtucht, (strak georganiseerd) zangonderwijs; zangleer.
Zedert de tyden van Guido, is Italia verwoest, ende de Zangh-tucht heel vervallen,
in , Zanghbl. ** 2 v° [1642].
Overzulx als men de oude gewoonte altoos wil volgen, het is onmogelyk tot den rechten grondt en kennisse van de Zanghtught te koomen,
, Sanghber. 45 [1643].
Zangtuig.
↪1°. Muziekinstrument. Zie voor de tweede aanh. ook Statenb., Ps. 45, kantt. 4 [ed. 1637], die musicael instrument als een van de mog. interpretaties van hebr. schoschannim geeft. In de 3de aanh. is zangtuig fig. gebruikt voor: de wereld die den lof van den Schepper zingt.
De Vrolykheit geleid dit drie gespan der Wagen, Van de eene, en Nuttigheit voegd zig aan de and're kant; Het Speel en Zangtuig ziet men de eene met zig dragen, Het Eiken loof en Korf heeft de andere in haar hant,
voor , Merc. 1, [1698].
De Stad Susan (is) … genoemt van de lieflijkheid der rondom wassende Lelien … invoegen Susan by de Arabiers een Lelie beteekent; hier van daan neemen zommigen ook Schoschanim in de opschrift van Psalm 45:1. voor een Zangtuig of Voys uit Susan,
, Oostfri. Oorsprongkelykh. 18 [1731].
Deze wareld heeft Hy in het midden geplaatst, als een zangtuig van alle kanten stemmen uitgevende om zijn kunstenaar uit te roepen,
, Chrysost. 127 [1832].
↪2°. Zangorgaan. Van vogels.
Zangvogels (Passeres). Meest kleine Vogels hebbende aen het keelhoofd een zangtuig, dat bestaet uit vyf paer spieren en hun dient tot het voortbrengen van een luid en meest aengenaem gezang,
, B. d. Nat. 233 [1846].
↪Zanguur, uur, periode dat men zich aan zang wijdt.
, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Tegen het einde der vierde eeuwe verordende Hieronymus zekere zanguuren tot Gods eeren in de Kerken te houden, horas canonicas genoemd,
, Muzykk. 314 [1751].
↪Zangval, (muz.; dichtk.) lage toon of zwak accent tegen of aan het eind van een melodischen of metrischen zin, die als rustpunt en als versieringselement dient; vgl. cadans, 3).
Zoo moet de stemme thusschen wegen vinden haer rustplaetzen, ofte zanghvallen,
, Sanghber. 8 [1643].
Den sang-val der Liedekes altoos eene sékere ruste médeslépende, syn de selve aen désen régel hoogelyks verbonden,
, Tydv. 35, 16 [1806].
Een zuivere taal en versmaat is het onontbeerbaar vereischte van elk dichtstuk. Maar rijkheid en verscheidenheid van zangvallen en rijmklanken zijn, als kunstrijke en sierlijke volzinnen, voorwerpen van weelde,
1, 477 [1ste kw. 19de e.].
↪Zangvalling, (muz.) hetz. als zangval. Uitsl. bij .
Zangh-vallinghe. Cadentia,
, Sanghber. 48 [1643].
Zangvereeniging.
↪1°. Vereeniging ter beoefening van de zangkunst.
De overtreding van, als beheerders of commissarissen eener zang-vereeniging, zich niet te hebben gekweten van hunne verpligting, ten aanzien van de aangifte in het patentregt over het dienstjaar 1845/1846, voor het geven of houden van muziekpartijen door die vereeniging in een lokaal, voor dergelijke partijen bestemd,
Weekbl. v.h. Regt 1847, 1 c.
Vrolijker ging het op de zangvereenigingen toe, waarin men zich in het psalmgezang oefende,
, Maatsch. Lev. 369 [1868].
Een gemengde zangvereeniging: Con Animo opgerigt in 1853, met 51 leden, deels Heeren, deels Dames. Elke Maandag-avond repetitie,
Die Haghe 1908, 366.
Toen heb ik (Dirk Witte) ”M'n Eerste” geschreven, u weet wel ”'t Meisje van de zangvereeniging”. 't Deed 't enorm. En dus schreef ik maar door, nog 'n paar liedjes,
, Cabaret 113 [1920].
↪2°. Bijeenkomst van zangers.
De wandelende zangvereenigingen … waren, en zijn ook nog wel, een zomeravondvermaak. Maar zulke zangvereenigingen in den nacht te houden, is al vóór eeuwen, als zijnde … heel onpleizierig voor de slapende gemeente, verboden,
, Volksverm. 653 [1871].
↪Zangvermogen, vermogen tot zingen, of, in de tweede aanh. (fig.), tot dichten.
[1872 ᬶ].
— ô Dichters! door uw zangvermogen, Versmaadt gij niet mijn krachtloos pogen! ô Neen! gij ziet met gunstige oogen, ô Barden! op mijn nietig dicht,
, Nag. Ged. 2, 6 [c. 1800].
↪Zangvers, voor zang geschikt, berijmd gedicht; lied.
Indien iemand na den schrijver dezer dingen vraagt, dien zullen wy tot Tarentinus wijzen, en tot dat bekende zangvaars, 't geen van ouds aldus gezongen word, Een stier heeft eerst een slang geteelt, Nu teelt een slang een stierebeeld,
, Arnobius 296 [1677].
Privilegie … tot het drucken van de 150 psalmen Davids in Neederduijtse zangveersen,
in en , Boekh. Amst. 767 [1739].
Hoe (troffen mij) de zangverzen, waarmede zij haren dag besloten,
, St. Uren 3, 113 [1850].
↪Zangvoet, (muz.) versvoet. Uitsl. bij .
Ik (hebbe) een voorreden van de Heere Monteverde … gelezen, in welke hy het onderscheydt van den tyd, ende de getallen des tydts … beschreeven heeft; aenwyzende de Grieksche Zang-voeten, Spondeus die twee lange syllaben, ende Perichius, die twee korte syllaben heeft: de eerste vergelykende met een heele maet enz.,
, Zanghbl. * 4 r° [1642].
Zangvogel.
↪1°. Vogel die zich onderscheidt door zijn (fraaien) zang.
[1704].
— Heeft de eerste zangvogel zonder voorganger aan 't zingen konnen raaken, men mag vryelyk besluiten, dat de menschen zouden hebben gezongen, al was er nooit vogel in de wereld geweest,
, Muzykk. 213 [1751].
Het talrijke geslacht der lieve zangvogels,
[1811].
Te Kopenhagen is men aan het werk om in den zomer van 1887 eene Tentoonstelling van zang- en sieraadvogels te houden,
Volksvlijt 1887, 59.
↪2°. (Dierk.) (Mv.) Benaming van vogels van de (onder)orde der Oscines of muschachtige vogels.
Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 2, 205 [1828].
Zangvogels, (Oscines), Muschachtige vogels of Roestvogels zijn zoodanige vogels, die door een samengesteld tweede strottenhoofd aangename, zangerige geluiden en afwisselende tonen kunnen voortbrengen,
, Encyclop. [1888].
— De … overblijvenden laat men gewoonlijk in ééne orde bijeen, … welke gewoonlijk met dien van zangvogels wordt aangeduid; schoon nagenoeg alle zingende vogels er toe behooren, zoo als de lijster, nachtegaal, zwaluw, leeuwrik, vink en spreeuw, zijn er ondertusschen velen bij, die niet zingen, zoo als de raaf, de hop, de kolibri, en eene menigte anderen,
, Dieren 2, 91 [1869].
Bij de Zangvogels (Oscines), die de groote meerderheid van alle Muschvogels uitmaken, is het onderste strottenhoofd volledig ontwikkeld en meestal voorzien van vijf paar spieren, die over de voorzijde en de achterzijde van dit orgaan verdeeld zijn,
2, 14 a [1910].
↪Zangwedstrijd.
[1864].
[1872 ᬶ].
— Naar aanleiding van de vraag … betreffende het toekennen van een rijkssubsidie aan de Kon. Nationale Zangschool voor het geven van een nationalen zangwedstrijd, geeft de Minister … te kennen enz.,
Hand. St.-Gener. 1919-'20, Tw. K., II, blz. 570 b.
↪Zangwerk, compositie voor zangstemmen.
Dit is in 't kort gezeidt om de zanghlievers een voorsmaek te geven van de verscheide boeken en zanghwerken die den Autheur van de wetenschap, en kunst des zanghs, heeft beschreven,
, Zanghbl. H 4 v° [1642].
Muziek-instrumenten worden wel gebruikt, doch meer om de menschelijke stem all'unisono te ondersteunen … De zangwerken worden voor de luit en het orgel in partituur gezet; daarnaar begeleidde de instrumentalist,
, Rembr. 2, 2, 460 [1884].
↪Zangwetenschap.
Iosepho Zarlino in 't jaer 1550 Zanghmeester van S. Marco in Vinetia, heeft eerst de Zanghwetenschap, boven alle de Grieken, doorgrondt,
in , Zanghbl. ** 2 v° [1642].
↪Zangweting, theorie van de vocale muziek. Uitsl. bij .
Zangh-weting. Scientia Musica, Theoria,
, Sanghber. 48 [1643].
— Zoo dat ik by my zelve doen maekte een liedt met vier stemmen, niet wetende van eenige Zangregels; welk my een oorzaek gaf om de Zanghwetinge, ende kunst naerder te onderzoeken, en dieper te doorgronden,
, Zanghbl. * 2 v° [1642].
↪Zangwijn, wijn die functionarissen van de R.-K. Kerk verstrekt werd als vergoeding voor het zingen van missen e.d. Veroud.
Item betaelt den coster bouen van sanckwijn ende broet fac. viii ᨧ viii pl.,
Kameraarsrek. Kampen 9 [1515].
De wyn, daartoe (t.w. tot vergoeding voor missen e.d.) weekelyks besproken, en gegeven, wierd genaamd Zang-wyn. Zoo heeft Willem, Graav van Holland aan de Abdy … te Loosduinen … den wyn tot den zang gegeven, in 't jaar 1328,
, Displ. 2, 248 [1732].
↪Zangswijs (zangswijze, ook zangsgewijs, zangsgewijze, en in oudere en gewest. bronnen ook zonder verbindings-s), in den vorm van een zang (3 of 5).
Zangswijze. En forme de chant,
[1822].
[1864].
Zangewijs,
Verz. [voor 1899].
— Apollinarius Syrus, een treflyck Christen, Was een van d' eerste, die gewyde bybelstof Gejuicht heeft sangsgewys,
bij 9, 359 [1662].
Men beschreef de daden der helden oulings zangswijze,
[1811].
↪In de verb. zang(s)wijs stellen, zang(s)wijze stellen, m. betr. t. eerder onberijmden tekst: in den vorm van een zang brengen.
De treffelijcke VVensch Catonis van Cicerone in zijn Boeck van den Ouderdoom beschreven, en sanghwijse op de stemme van de Engelsche Fortuyne gestelt,
, Bellerophon I 3 r° [ed. 1614].
By alle tijden, is in meerder weerde gheweest, een tal-gebonden schrift, sanckwijs op syn maete ghestelt; als losvloedich, buyten dicht-dwanck by een ghevoecht,
, Sed. Lev. )( v v° [1638].
Tot Delft, by A. v. H., Boeckverkooper, is ghedruckt …: De CL. Text-Psalmen … Davids, met eenige andere Lof-sangen; na de nieuwe Oversettinge … sanghs-wijse gestelt,
in , Bijdr. N. Ned. Muziekgesch. 7 [1666].
Zangwijze (zie ald.).
↪Zangwustige, die bekend is met (de theorie van den) zang. Uitsl. bij .
Alhoewel ik … altoos trachte om een stemwyze voort te brengen, welke de woorden bescheydelyk zoude uytspreeken, waer op de andere stemmen moesten passen en volgen; het welke by veele ervaerne Zang-wustige; ende naemelyk by den uytnemende Richard Diringh mynen zonderlinge vriendt; werde zeer gepreezen,
, Zanghbl. * 2 v° [1642].
↪Zangzaad, zaad dat den zang van tamme vogels moet bevorderen.
Wij berichten de ontvangst der nieuwe tuin-, bloem-, landbouw- en vogelzaden, alsmede zangzaad,
uit een advert. [c. 1900?].
Zangziek.
↪1°. Graag zang hoorend, (hevig) verlangend naar zang; in de 3de aanh. fig.: van poëzie houdend.
, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Pan zanghzieck, op dat pas, Had Dafnis laten noôn … Toen sloegh haer keel geluyt: Help Godt, wat zoeter zangh!
2, 165 [1623].
Juichte eens het zangziek Nederlant Op 's Drossaerts toon in vroeger dagen,
, Overgebl. Ged. 254 [1710].
↪(De) zangzieke ooren boeien of streelen.
De alomgeprezen maagd …, Wier onnavolgbaar lied de zangzieke ooren boeit, Ja, Saffo, Saffo zelf genaakt deez' verre stranden,
, Poët. 9, 257 [1834].
Terwijl … 't lieflijk lied uit held're kelen Der gasten zangzieke ooren streelen … kwam,
4, 134 [1847].
↪2°. Graag zingend; zanglustig.
't Zangziek vinkjen vreest den stormwind …, En het kweelt zijn orgeltoontjens in een zoeler zuiderlucht,
, Poët. 5, 170 [1826].
Zijn bravo was beslissend …, Terwijl zijn ”bah!” als 't ware, een stalen degen Door 't zangziek hart der prima donna joeg,
6, 221 [1834].
↪Zangzoet, mooi zingend of klinkend.
[1872 ᬶ].
— Sieverts (heeft): cloecke rym, dool-hovigh t'saem gevlught Woort-cierlijck, en zin-rijck, sang-soete maet gedichten, Op treffelijcke reen, so aerdiglijck gheleyt,
voor , Batt. Vriendensp. A 3 r° [1615].
t'Hans vogel rept hy (t.w. Zeus) witte vlercken, Sangsoeter als een' veege swaen,
2, 715 [1629].
↪Zangzot, groot liefhebber van zang (en muziek).
Alst kindeken zijn Hoep; de Vryer zijn Boel; de Sangsot de Musijcke …; de Weyman de Patrijs, langh ghenoegh ghevolght heeft; soo is de Proye niet half soo veel weerdt, als de onkosten die hy daer om ghedaen heeft,
, Sinnep. (ed. ) 143 [1614].
Ick ben te grooten sangsott, om my de suyverheyt van de singende uytspraeck te laten belemmeren,
bij , Br. 1, 449 [1623].
Zangzwaan.
↪1°. (Dierk.) Wilde zwaan, vanouds bewonderd om zijn trompettend geluid (Cygnus musicus).
Van de beide soorten van zwanen, die wij in Europa kennen, bewoont de eene, de zangzwaan (Cygnus musicus Bechst.) het hooge Noorden,
Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 2, 276 [1828].
, Vogels 1, 114 [1918].
↪2°. (Fig. of in fig. verband) Aanduiding van of eerenaam voor beroemd dichter, vaak met vermelding van stad of streek van herkomst. Bij enkele 19de-e. dichters.
U, gids en baak der dicht'renkooren, Zij … De trouw … toegezworen Van al wie optreedt in hun ry. Ik … Zal tot genade u vaardig zien: De Zangzwaan der Meanderstroomen, Die 't al betoovert door haar lied, Versmaadt den galm, hoe onvolkomen, Der kunstelooze lijster niet (tot Bilderdijk),
, Poët. 5, 3 [1826].
't Bruischend lied Van Keulens Zangzwaan (t.w. Vondel) met zijn vlammend koloriet, Zijn vollen orgeltoon,
3, 111 [1848].
Vechtstroom, laat de zang verstommen Van de nymfen op uw plas! … Zie! daar strijkt de Zangzwaan neêr. … Werwaards zult ge, o Hooft! ons leiden?
, Palet en Harp 114 [1849].
Aanvulling bij ZANGI
↪Samenst. Zangavond. In de laatste aanh. ter aand. van een concert.
Zangavond, avond die met zang wordt doorgebracht,
[1976].
— Stichting door preek of toespraak vond zij in zeer kleine conventikels, waar niemand acht op sloeg: een zangavond bij vriendinnen, een leesavond bij een vooraanstaand Arminiaan,
, Vuuraanb. 172 [1947].
In de winter 1943/44 gaf Jo Vincent een zangavond in een particuliere woning te Haarlem,
Onderdr. en Verzet 2, 580 [1950].
↪Zangconcours, zangwedstrijd.
[1974].
— Naast het in stand houden der kermissen worde den Gemeenten van Regeeringswege de verplichting opgelegd te bevorderen, dat alsdan gelijktijdig ter plaatse volksfeesten, sportvertooningen …, muziek-, zang- en andere concoursen worden gehouden met steun van overheidswege,
, Kunst- en Amusementsbedr. 96 [1922].
Twee maanden lang zijn er (in Florence) verkleedpartijen, zangconcoursen en feestmalen,
, Duecento 92 [1951].
Van 27 september tot 3 oktober a.s. zal te Toulouse het XIe Internationale zangconcours worden gehouden,
O.K.W. Med. 28, 266 c [1964].
↪Zangdiploma.
Na Dresdens vertrek ging zij voor haar zangdiploma werken bij Marinus Brandts Buys,
Mens en Melodie 4, 27 [1949].
Zangpaedagogiek, zangpaedagogisch, zangpaedogoog (zie die woorden).
↪Zangtechniek.
Kath. Encyclop. [1938].
[1976].
— Men moet … niet verwijzen naar de virtuooze zangtechniek der XVIIe eeuw,
, Orgel i.d. Ned. 20 [1931].
Drie dingen zijn … nodig naast de zangtechniek: muzikale voordracht, litteraire en psychologische kennis,
Mens en Melodie 3, 54 [1948].
De problematiek van de zangtechniek werd door Herbst (1642) … uitvoerig beschreven,
W.P. Encyclop. 18, 669 a [1954].
↪Vandaar: zangtechnisch. 1°. (Bijw.) Wat zangtechniek betreft.
De spanning en opening der mond …, de ligging en vorm van de tong zijn zangtechnisch volkomen verantwoord,
Mensch en Melodie 1, 355 [1946].
Cursussen, die zijn ingesteld … om de zangers en zangeressen zelf in breder verband dan in het eigen koor zangtechnisch en algemeen muzikaal te ontwikkelen,
O.K.W. Med. 28, 200 c [1964].
↪2°. (Bnw.) Betrekking hebbend op, gericht op de zangtechniek.
Waar de dirigent iemand is, die … zangtechnische oefeningen weet te doceren op een prettige en onopvallende manier,
Mens en Melodie 4, 114 [1949].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1993.
Koppelingen:
